Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/9.5
Paragraaf 9.5 De VOF als lid van een vereniging
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391785:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. ’s-Hertogenbosch 14 juni 1935, NJ 1936/406; Asser/Maeijer 2-II 1997/278; Asser/Rensen 2-III* 2012/72; Polak 1965, p. 31.
Pitlo/Löwensteijn 1986, p. 108 en 123.
Zie bijv. Polak 1965, p. 29; Asser/Rensen 2-III* 2012/63.
Rb. ’s-Hertogenbosch 14 juni 1935, NJ 1936/406.
Pitlo/Löwensteijn 1986, p. 122.
Kamerstukken II 2006/07, 30520, 4, p. 2 en Ktr. Utrecht 14 april 1989, ECLI:NL:KTGUTR:1989:AC3546, NJ 1990/72.
Asser/Maeijer 2-II 1997/269; Asser/Rensen 2-III* 2012/14. De inhoud van de lidmaatschapsverhouding wordt bepaald door de wet, de statuten, de besluiten van de daartoe bevoegde organen en de redelijkheid en billijkheid (art. 2:7 BW), zie Kamerstukken II 2006/ 07, 30520, 4, p. 2 en Ktr. Utrecht 14 april 1989, ECLI:NL:KTGUTR:1989:AC3546, NJ 1990/72.
Asser/Rensen 2-III* 2012/65 en 67; Van Zeben, Boek 2 1962, p. 136 (Toelichting Meijers bij art. 2:34 BW); Pitlo/Löwensteijn 1986, p. 108 en 123; Overes, GS Rechtspersonen, art. 2:34 BW, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 15 juni 2014); Slagter/Assink 2013, p. 1432.
Asser/Maeijer 2-II 1997/277 en Asser/Rensen 2-III* 2012/67; Overes, GS Rechtspersonen, art. 2:34 BW, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 15 juni 2014); Slagter/Assink 2013, p. 1432.
Asser/Rensen 2-III* 2012/68.
Asser/Rensen 2-III* 2012/72 en Den Tonkelaar 1982.
Zo ook Asser/Rensen 2-III* 2012/72.
Asser/Rensen 2-III* 2012/72.
Asser/Maeijer 2-II 1997/278 en Asser/Rensen 2-III* 2012/72 en 99. Ingeval van een lidrechtspersoon kan de vereniging met haar eisen niet de wettelijke en statutaire regels van vertegenwoordiging voor dit lid-rechtspersoon doorbreken, zie Asser/Maeijer 2-II 1997/301.
Kamerstukken II 1982/83, 17725, 3, p. 72.
Kamerstukken II 1982/83, 17725, 3, p. 72.
Over het antwoord op de vraag of een VOF lid kan zijn van een vereniging of coöperatie lijkt men het wel eens te zijn: de vraag moet in beginsel bevestigend worden beantwoord.1 Dit neemt niet weg dat uit het doel en de statuten van een specifieke vereniging anders kan voortvloeien. Bij het lidmaatschap van een vereniging is de persoon van het lid in beginsel van belang2 (het lidmaatschap is persoonlijk, tenzij de statuten anders bepalen, art. 2:34 lid 1 BW) en aan deze persoon kunnen (kwaliteits)eisen gesteld worden.3 Te denken valt aan de eis van een tennis-, beroeps- of studentenvereniging dat de leden natuurlijke personen moeten zijn en/of een bepaald beroep moeten uitoefenen en/of de status van student moeten hebben. In het geval van een VOF kan de vereniging eisen dat iedere vennoot aan een bepaalde eis voldoet.4
Tenzij de statuten van de vereniging anders bepalen, beslist het bestuur over toelating van een lid en kan bij niet-toelating alsnog de algemene vergadering daartoe besluiten (art. 2:33 BW). Op het aangaan van de lidmaatschapsverhouding is het overeenkomstenrecht van toepassing: het lid in spe geeft te kennen lid te willen worden (aanbod) en de vereniging laat hem toe (aanvaarding).5 Is het recht eenmaal ontstaan, dan is het geen contractuele betrekking,6 maar een rechtsbetrekking van eigen, institutionele aard die door haar eigen rechtsregels wordt beheerst.7 Het persoonlijke karakter van het lidmaatschap brengt met zich dat een lidmaatschap in beginsel niet overdraagbaar of vererfbaar is, maar de statuten kunnen anders bepalen.8 Omdat een lidmaatschapsrecht een recht op naam is, is voor de overdracht ervan een akte en mededeling daarvan aan de vereniging nodig (art. 3:94 BW).9 Overdracht aan een persoon die niet aan de kwaliteitseisen voldoet, mist rechtskracht.10
Als een VOF lid is van een vereniging, dan is sprake van één lidmaatschapsrecht van de gezamenlijke vennoten, net als dat er bij een overeenkomst met de VOF sprake is van een overeenkomst van de gezamenlijke vennoten.11 Over het lidmaatschap van een VOF en de gevolgen van treden tot en uit de VOF kunnen de statuten van de vereniging of coöperatie regelingen bevatten. Als niet anders geregeld is, meen ik dat (net als ik heb betoogd bij overeenkomsten) het toetreden van een vennoot tot een VOF leidt tot het deelnemen in het lidmaatschapsrecht en het uittreden leidt tot het niet langer deelnemen in het lidmaatschapsrecht.12 De gezamenlijke vennoten zijn het lidmaatschapsrecht immers als VOF ofwel in hoedanigheid van vennoten in die VOF aangegaan. Geen wettelijke regel staat hieraan in de weg.
Het stemrecht wordt in beginsel uitgeoefend door de besturende vennoten, maar de statuten van de vereniging kunnen anders bepalen.13 Denkbaar is de regeling dat slechts één van de bestuurders de VOF in de ledenvergadering mag vertegenwoordigen.14
Een lidmaatschap eindigt onder andere door de dood van het lid (tenzij de statuten anders bepalen) of door opzegging door de vereniging (art. 2:35 lid 1 BW). Met de dood van een lid kan mijns inziens gelijk worden gesteld het ophouden te bestaan van een VOF, net zoals het geval is bij het ophouden te bestaan van een rechtspersoon.15 Oorspronkelijk was het eindigen van het lidmaatschapsrecht bij het ophouden te bestaan van een rechtspersoon wettelijk geregeld, maar dit is geschrapt omdat het overbodig werd geacht.16 Een verschil tussen de rechtspersoon en de VOF is weliswaar dat bij de rechtspersoon de rechtspersoon zelf houder is van het lidmaatschapsrecht (en bij wegvallen van de rechtspersoon is er geen houder meer) en dat bij de VOF de gezamenlijke vennoten houder zijn (die na wegvallen van de VOF houder zouden kunnen blijven), maar de vennoten zijn de lidmaatschapsverhouding nu eenmaal aangegaan in hoedanigheid van (vennoten van) de VOF en zijn niet persoonlijk toegelaten als lid. Het verliezen van hoedanigheid is mijns inziens iets anders dan het verliezen van een kwaliteit (waarbij het lidmaatschapsrecht niet van rechtswege eindigt, maar wat wel een grond voor opzegging kan zijn). Een kwaliteitseis is namelijk een eis die wordt gesteld voor de toelating van een lid en het lid is niet de vennoot (als persoon), maar de VOF (in de zin van alle vennoten gezamenlijk). De statuten kunnen wel bepalen dat het lidmaatschapsrecht na ontbinding van de VOF (de VOF is dan nog niet opgehouden te bestaan) kan worden overgedragen aan de vennoten of aan degene die de onderneming voortzet.