De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/9.4:Paragraaf 9.4 De VOF als aandeelhouder van een kapitaalvennootschap
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/9.4
Paragraaf 9.4 De VOF als aandeelhouder van een kapitaalvennootschap
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384633:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Roos 1992, p. 16.
Van der Grinten 1988, p. 81.
Van der Grinten 1988, p. 81; Van Solinge 1976, p. 161; Van der Heijden/Van der Grinten & Dortmond 2013/201.
De voorwaarden van een dergelijke eis moeten in de statuten worden vastgelegd en kunnen bijvoorbeeld niet worden overgelaten aan een daartoe aangewezen orgaan. De gevolgen van een kwaliteitseis, de verplichting tot aanbieding en overdracht, is daarvoor namelijk te ingrijpend. Zie Kamerstukken II 2006/07, 31058, 3, p. 54.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat aandelen in een BV/NV in de vennootschappelijke gemeenschap van een VOF kunnen vallen, heb ik in hoofdstuk 4 al uiteengezet. Als een VOF alle aandelen in een BV houdt, dan heeft de BV een pluraliteit van aandeelhouders en is dus geen sprake van een eenpersoons-BV (een BV waarvan alle aandelen toebehoren aan één (rechts)persoon).1 Dit blijkt onder andere uit de toelichting bij de implementatie van de Twaalfde EEG-richtlijn (89/667/EEG) in onder andere de artikelen 2:247 en 2:91a BW. Art. 2:247 lid 1 BW bepaalt dat rechtshandelingen van de BV jegens de houder van alle aandelen in het kapitaal van de BV of jegens een deelgenoot in een huwelijksgemeenschap of in eengemeenschap van een geregistreerd partnerschap waartoe alle aandelen in hetkapitaal van de BV behoren, waarbij de BV wordt vertegenwoordigd door deze aandeelhouder of door een van de deelgenoten, schriftelijk worden vastgelegd. Ten aanzien van aandelen die in een gemeenschap vallen, heeft de toenmalige staatssecretaris van Justitie Kosto het volgende opgemerkt:2
‘Indien alle aandelen in een huwelijksgemeenschap vallen, zal de vennootschap in de regel in het maatschappelijk verkeer als een eenpersoonsvennootschap moeten worden beschouwd. Daarom wordt voor de toepassing van deze wet de vennootschap als eenpersoonsvennootschap aangemerkt; de meldingsplicht rust op beide echtgenoten. In andere gevallen van gemeenschap, bij voorbeeld van een nalatenschap of van een maatschap, heeft de vennootschap een pluraliteit van aandeelhouders en is er geen grond voor een uitbreiding van de regeling.’
De stemrechten en overige bevoegdheden die verbonden zijn aan een aandeel dat in een vennootschappelijke gemeenschap valt, komen in beginsel toe aan de bestuurders van de VOF.3 In de statuten van de BV kan bepaald worden dat één deelgenoot het stemrecht/die bevoegdheden uitoefent of dat de vennoten het stemrecht bij toerbeurt uitoefenen.4 Ook kunnen de statuten een kwaliteitseis verbinden aan het aandeelhouderschap (art. 2:192 BW).5 Het niet voldoen aan statutaire kwaliteitseisen kan worden gesanctioneerd met opschorting van het stemrecht, het vergaderrecht en het recht op uitkeringen (art. 2:192 lid 4 BW). De wet biedt in art. 2:192 lid 4 BW ook een regeling voor het geval waarin door de opschorting geen van de aandeelhouders nog het stemrecht kan uitoefenen (bijvoorbeeld als de VOF is ontbonden en geen van de aandeelhouders dus nog voldoet aan de kwaliteitseis van vennoot-zijn): ‘Een opschorting van rechten vervalt, indien de opschorting tot gevolg heeft dat geen van de aandeelhouders het stemrecht kan uitoefenen.’