Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.1:10.4.1 Inleiding
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.4.1
10.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS352201:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/296 m.nt. M.J. Kroeze (Hezemans Air).
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/325 m.nt.S.C.J.J. Kortmann (RCI/Kastrop).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad onderbouwde de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid in de vorm van de ernstigverwijtmaatstaf in Hezemans Air1 en RCI/ Kastrop2 door allereerst te overwegen dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon. Deze onderbouwing neemt als uitgangspunt dat de betrokken handelingen van de bestuurder moeten worden toegerekend aan de rechtspersoon. Deze toerekening zorgt ervoor dat men kan spreken van ‘primair’ handelen van de rechtspersoon. Om deze redenering op rechtstheoretische rede en rationaliteit te toetsen, is een goed begrip van het leerstuk van toerekening van (rechts)handelingen essentieel. Ik zal daar hierna verder op ingaan. Vervolgens zal ik in par. 10.5 analyseren of de onderbouwing van de Hoge Raad rechtstheoretisch te rechtvaardigen is.