Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba
Einde inhoudsopgave
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.4.3:4.4.3 De suggestiebevoegdheid
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.4.3
4.4.3 De suggestiebevoegdheid
Documentgegevens:
Mr. G.C.C. Lewin, datum 08-01-2010
- Datum
08-01-2010
- Auteur
Mr. G.C.C. Lewin
- JCDI
JCDI:ADS441432:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De suggestiebevoegdheid van art. 118 is een nuttig instrument voor de rechter bij zijn streven zonder omwegen recht te doen aan de materiële rechtsverhouding van partijen. Hieraan bestaat met name behoefte indien een partij een geringe ontwikkeling en een geringe rechtskennis heeft. Indien de partij wordt bijgestaan door een zwakke advocaat, blijft die behoefte bestaan. De behoefte kan ook bestaan indien de overheid wordt vertegenwoordigd door een zwakke ambtenaar.
Hiertegenover staat een aantal nadelen.
De suggestiebevoegdheid brengt voor de rechter de taak mee om er gebruik van te maken in gevallen die zich daarvoor lenen. Dit kan ertoe leiden dat gemakzuchtige partijen en advocaten voor zichzelf een taakverlichting zien: zij beperken zich tot enkele feitelijke stellingen, doen geen rechtsgeleerd onderzoek en vertrouwen erop dat de eerste rechter, en anders wel de appelrechter, zal mededelen welke eis zij moeten instellen, welke grondslag zij eraan moeten geven of welk verweer zij moeten voeren. Dit brengt een taakverzwaring mee van de rechter, en dus van de overheid.
Het gebruik van de suggestiebevoegdheid leidt in de regel tot bevoordeling van een partij. De rechter kan daar misbruik van maken. M.i. is er geen sprake van misbruik indien de rechter op basis van hetgeen hem ter kennis is gebracht ernaar streeft recht te doen aan de materiële rechtsverhouding van partijen, ook al zou daarvoor een vrij ingrijpende suggestie in een vrij laat stadium nodig zijn. Toch kan gemakkelijk de schijn van vooringenomenheid ontstaan. M.i. zal dat minder vaak gebeuren, naarmate partijen beter gewend raken aan een actieve opstelling van de rechter.
De suggestiebevoegdheid kan ertoe leiden dat de rechter de neiging heeft het gesuggereerde beroep ook te honoreren indien het zwak blijkt. Dit is een vorm van vooringenomenheid ('confirmation bias').
Naarmate de feitenrechter meer vrijheid heeft, is er een groter gevaar van rechtsongelijkheid. De rechter zal soms een suggestiemogelijkheid over het hoofd zien en in een ander soortgelijk geval er wel aan denken. Het gevaar van rechtsongelijkheid bestaat ook op andere aan de feitenrechter overgelaten gebieden, zoals de uitleg van stellingen, het toelaten tot bewijs ondanks het ontbreken van een voldoende specifiek bewijsaanbod en de bewijswaardering.
Na de rechterlijke suggestie is een partijdebat nodig, hetgeen ten koste gaat van de proceseconomie. In hoger beroep heeft dit nadeel extra gewicht. Dit nadeel wordt m.i. ten dele ondervangen doordat de rechter de suggestiebevoegdheid alleen mag toepassen als dat in overeenstemming is met de eisen van een goede procesorde.
Het kan voorkomen dat het partijdebat uiteindelijk geen toegevoegde waarde heeft.
Voorbeeld:
De rechter suggereert een partij een beroep te doen op verjaring. Na uitvoerig debat daarover oordeelt hij dat het beroep faalt.
De partijautonomie en het beginsel van hoor en wederhoor blijven bij een juiste toepassing van de suggestiebevoegdheid behouden, dus in dat opzicht behoeft geen bezwaar te bestaan tegen de suggestiebevoegdheid.
Indien de rechter een verstandig gebruik maakt van de suggestiebevoegdheid, weegt m.i. het voordeel zwaarder dan de nadelen. Zoals hiervoor in het algemeen is opgemerkt over rechterlijke vrijheden, is een voorwaarde dat de rechter betrouwbaar en van goed niveau is.