Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.3.3.b
VII.3.3.3.b De stortingsplicht bij een NV
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242683:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Rb. ’s-Gravenhage 28 juli 2004, JOR 2004/319 m.nt. Groffen (Van Voorst/Van den Berg). Volgens de rechtbank verzetten de redelijkheid en billijkheid zich tegen de toewijzing van de vordering ex art. 2:180 (oud) BW, omdat de opvolgend bestuurder geen verwijt trof.
Rb. ‘s-Gravenhage 17 augustus 2011, JOR 2011/326 m.nt. Groffen (Van Dijk/ITB). De rechtbank overwoog dat art. 2:180 (oud) BW uitdrukkelijk niet voorziet in een disculpatiemogelijkheid, ook niet voor opvolgend bestuurders. Het is volgens de rechtbank derhalve niet relevant of de bestuurder al dan niet een verwijt kan worden gemaakt.
Zie onder anderen Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/120; Groffen in zijn annotatie onder Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2009, JOR 2009/162 (Staalbankiers); en Van Olffen, WPNR 2011/6883, p. 362.
Idem Bulten 2012, p. 25.
Kunnen de redelijkheid en billijkheid ook derogeren aan de aansprakelijkheid wegens het niet voldoen aan de stortingsplicht? Uit de lagere rechtspraak komt een diffuus beeld naar voren. Een uitzondering op de aansprakelijkheid is – voor zover mij bekend – eenmaal aanvaard1 en eenmaal afgewezen.2
In de literatuur gaan stemmen op om de benadering van de Hoge Raad in Staalbankiers door te trekken naar de aansprakelijkheid van art. 2:69 lid 2 aanhef en sub b of c BW.3 Zo zien Van Olffen en Rensen ruimte voor een uitzondering op grond van de redelijkheid en billijkheid indien de bestuurder geen enkel verwijt treft en/of de wederpartij op de hoogte was van het niet voldoen aan de stortingsplicht en hierdoor niet is benadeeld.4
Vooralsnog kan de niet-uitvoerende bestuurder zich niet eenvoudig aan aansprakelijkheid ex art. 2:69 lid 2 aanhef en sub b of c BW onttrekken.5 En ook al zouden de redelijkheid en billijkheid zich tegen de aansprakelijkheid van de bestuurders kunnen verzetten, dan is het nog maar de vraag of dat de niet-uitvoerende bestuurder baat. Was de wederpartij op de hoogte van het niet storten en heeft hij geen nadeel ondervonden, dan staan de redelijkheid en billijkheid mogelijk aan aansprakelijkheid van alle fungerende bestuurders in de weg. Het verweer dat de niet-uitvoerende bestuurder geen enkel verwijt treft omdat hij slechts een belast is met het algemeen besturen en het houden van toezicht, gaat volgens mij niet op. Hij is tenslotte ‘bestuurder’ van de vennootschap.