Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.4.4
14.4.4 Verlies uit aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457776:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T. Blokland, Over aanmerkelijk-belangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1546-1547; J. Doornebal/A.C. Rijkers, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht oktober 1996, nr. 27, blz. 183-185; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.14, Gouda Quint, Deventer.
De memorie van toelichting voorzag te grote complicaties. Memorie van toelichting Tweede kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 16. Zie tevens T. Blokland, Over aanmerkelijkbelangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1545 e.v., die nog wijst op andere (inkomensafhankelijke) regelingen, zoals de toerekening van de niet-verzelfstandigde inkomensbestanddelen (art. 5 Wet IB), de regeling inzake aanslag/geen aanslag (art. 64 Wet IB) - als gevolg van de nieuwe vormgeving van de verplichte aanslagregeling van art. 64 Wet IB per 1 januari 1997 wordt bij deze regeling inmiddels wel rekening gehouden met (de belasting over) het aanmerkelijkbelangverlies - en de invorderingsvrijstelling (art. 65 Wet IB). Bij deze inkomensafhankelijke regelingen wordt geen rekening gehouden met een verlies uit aanmerkelijk belang. Hetzelfde geldt voor de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, waaromtrent een afzonderlijke regeling is getroffen in de Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 15 februari 1995. nr. IFZ 95/207M, V-N 1995, blz. 953 e.v.
Vgl. tevens T. Blokland, Over aanmerkelijkbelangverliezen, WFR 1996/6218, blz. 1546-1547.
Vgl. de toelichting op het amendement van het toenmalige Tweede-Kamerlid Vreugdenhil bij het huidige art. 60, zesde lid. Wet IB. Zie echter Hof Arnhem 28 maart 1996, Infobulletin 96-367, V-N 1996, blz. 3081 e.v.
De regeling van het verlies uit aanmerkelijk belang is in essentie ongewijzigd gebleven ten opzichte van haar voorganger, zij het dat de verliesverrekenings-termijnen zijn uitgebreid naar een achterwaartse verrekentermijn van drie jaren en een voorwaartse verrekentermijn van acht jaren. Overigens zou mijn voorkeur ernaar uit zijn gegaan om voor de verliesverrekeningstermijnen aansluiting te zoeken bij de verliesverrekeningstermijnen zoals die gelden voor de zgn. ondernemingsverliezen. Blijkens art. 51, derde lid, Wet IB zijn ondernemingsverliezen onbeperkt voorwaarts compensabel. Mijns inziens had dit ook dienen te geschieden met betrekking tot de aanmerkelijkbelangverliezen.1 Voor een dergelijke gelijkstelling van de verrekeningstermijnen voor het aanmerkelijkbelangverlies met die van de zgn. ondernemingsverliezen pleit mijns inziens dat de aanmerkelijkbelangregeling veel meer dan haar voorganger moet worden gekarakteriseerd als een quasi-ondernemersregeling in plaats van als een voorschotheffing op de bron 'inkomsten uit vermogen'.
In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is de wijze van verwerking van het verlies uit aanmerkelijk belang via de techniek van de belastingverrekening ongewijzigd gebleven. Dit betekend dat aanvullende bepalingen nodig waren in de regeling van de buitengewone lasten en de giften in art. 46, zestiende lid, Wet IB en art. 47, derde lid, laatste volzin, Wet IB teneinde voor de drempels van deze regeling met een verlies uit aanmerkelijk belang rekening te kunnen houden. Mijns inziens was een meer eenvoudige regeling verkregen als het verlies uit aanmerkelijk belang op de normale wijze via het onzuivere inkomen was verwerkt. Uiteraard kan hierbij niet worden getornd aan het in aanmerking nemen van het verlies uit aanmerkelijk belang het aanmerkelijkbelangtarief van 25%, doch ik zie niet in waarom dit alleen via een afzonderlijke belastingverrekeningsregeling mogelijk zou zijn.2
De lage rang die de bijzondere belastingverrekening van art. 60 Wet IB inneemt, heeft als vervelend neveneffect dat onbeperkt voorwaarts verrekenbare ondernemingsverliezen de verrekening van aanmerkelijkbelangverliezen de facto 'wegdrukt'. En na acht jaren is een aanmerkelijkbelangverlies verdampt en kan niet meer voorwaarts worden verrekend. Afgezien van bovenstaande aanbeveling, verdient het mijns inziens in elk geval aanbeveling om in art. 60 Wet IB een met art. 51. zevende lid, Wet IB vergelijkbare regeling te treffen. Ingevolge art. 51, zevende lid, Wet IB worden immers eerst de beperkt compensabele verliezen (uit overig inkomen) verrekend en pas daarna de onbeperkt compensabele (ondernemings)verliezen .3
Ten slotte wijs ik nog op het feit dat het verlies uit aanmerkelijk belang steeds tegen het aanmerkelijkbelangtarief van 25%j wordt vergolden, ook als de tweede tariefschijf niet wordt overschreden. Gelet op het feit dat bij een positieve winst uit aanmerkelijk belang het 25%>-tarief pas in beeld komt als de tweede tariefschijf is overschreden (ƒ 48.175 (1999)), brengt een consistente belastingheffing mijns inziens met zich mee om de belastingverrekening van art. 60 Wet IB tegen het tarief van 25% ook pas te laten geschieden als de tweede tariefschijf wordt overschreden.4 Dit klemt des te meer als wordt bedacht dat de belastingverrekening van art. 60 Wet IB sedert 1 januari 1997 vaker zal voorkomen dan tot deze datum het geval was, nu de aftrekbare kosten ter zake van (reguliere) voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen - met name de renten van schulden en kosten van geldleningen ^- voortaan ook via de aanmerkelijk-belangverliesregeling van art. 60 Wet IB worden verwerkt (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.3).