Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/2.2.2.2
2.2.2.2 Krachtenbundeling gericht op zeggenschap
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363906:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over die categorie bevoegdheden Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/333.
Deze drempel is verhoogd als gevolg van de Wet van 15 november 2012 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code van 30 mei 2007 (Stb. 2012/588) welke in werking trad op 1 januari 2013 (Stb. 2012/693).
De criteria voor toegang tot het enquêterecht zijn gewijzigd door de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Stb 2012, 274) welke in werking trad op 1 januari 2013 (Stb. 2012/305).
De tekst van art. 2:110 BW wijkt af van die van art. 2:114a en 2:346; zij spreekt immers van “een of meer houders van aandelen die gezamenlijk ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen […]”. De redactie (“alleen of gezamenlijk”) van art. 2:114a BW en art. 2:346 BW is juister.
Het daadwerkelijk kunnen uitoefenen van een dusdanige invloed dat besluitvorming geblokkeerd kan worden, wordt wel “negatieve controle” genoemd (zie ook § 7.5.3.3). Vgl. Enriques/Hansmann/Kraakman 2009, p. 94 waar van “blocking or veto power” wordt gesproken. Doorgaans volstaat hiervoor een 25%-belang, gelet op het feit dat de meest gangbare statutaire meerderheid bij belangrijke besluiten drie vierde (3/4) van de uitgebrachte stemmen is.
Baglioni 2008, p. 4.
Vgl. Brenninkmeijer 1973, p. 71.
Vgl. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/607 en 608 waar de oplopende koers bij beursaankopen wordt genoemd als reden om voor een openbaar bod te kiezen.
Zie het artikel in het Financieele Dagblad van 26 februari 2013 naar aanleiding van een voorgenomen emissie door Grontmij toen het in liquiditeitsproblemen verkeerde.
Zie voor een voorbeeld daarvan Black/Coffee 1997, p. 2034-2035.
Zie nader Baglioni 2008, die aantoont dat dergelijke afspraken vaker voorkomen naarmate het aandelenbezit geconcentreerder is.
Dit deed zich onder meer voor in de RijnDijk/Gouda Vuurvast-overname in 2008 en de Gilde/TMCovername in 2012. Zie over eerstgenoemd bod AFM 2011 – 10 jaar AFM toezicht op openbare biedingen, p. 25-26.
Aandeelhouders kunnen hun krachten bundelen met het oog op gebruikmaking van aandeelhoudersrechten die slechts toekomen aan (groepen) aandeelhouders met een bepaald minimumbelang.1 Gedacht kan worden aan: het recht om een algemene vergadering bijeen te roepen (10% van het geplaatst kapitaal; art. 2:110 BW), het agenderingsrecht (3% van het geplaatst kapitaal; art. 2:114a lid 1 BW2) en het enquêterecht (1% van het geplaatst kapitaal of een belang met een beurswaarde van € 10 miljoen; art. 2:346 lid 1 sub c BW3). Voor al deze drempelwaarden geldt immers dat daaraan “alleen of gezamenlijk”4 kan worden voldaan.
Vaak zullen aandeelhouders samenwerken om hun invloed op de besluitvorming in de vennootschap te vergroten. Onderdeel van de afspraak kan zijn om voor of tegen5 een bepaald besluit te stemmen. Door onderling afspraken te maken over de uitoefening van het stemrecht, bijvoorbeeld in de vorm van een stemovereenkomst (§ 2.3.2), zijn zij eerder in staat om de besluitvorming te beïnvloeden (het zogenaamde leverage effect6 ).7 De alternatieve weg om de zeggenschap te vergroten, het uitbreiden van de bestaande deelneming door middel van aankopen, kan om verschillende redenen onaantrekkelijk zijn. Zo kunnen de kosten voor uitbreiding van het belang tot het gewenste invloedniveau te hoog zijn. Dit wordt versterkt doordat het opbouwen van een controlerend belang zelden mogelijk is zonder nadeel te ondervinden van een oplopende beurskoers.8 Een ander voorbeeld is het gezamenlijk afdwingen van betere voorwaarden voor een voorgenomen aandelenuitgifte.9
Er zijn ook voorbeelden van samenwerking door aandeelhouders die erop is gericht om bepaalde beperkingen aan de bevoegdheden van aandeelhouders op te heffen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan een gezamenlijke lobby om beschermingsconstructies te slechten10 of om een bepaalde machtsverhouding te corrigeren. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat een aandeelhouder of een derde bereid is een noodlijdende vennootschap te financieren als de zittende grootaandeelhouder een deel van zijn macht op geeft. Een van de mogelijkheden daartoe is het sluiten van een stemovereenkomst met daarin opgenomen een clausule dat besluiten in de voorvergadering slechts kunnen worden genomen met de instemming van de financier.11
Ten slotte is nog een interessante categorie de samenwerking die ertoe strekt bepaalde stakeholders te ontzien. Hierbij kan worden gedacht aan afspraken tussen enkele grootaandeelhouders om in het kader van een openbaar bod een lagere prijs te accepteren om zo minderheidsaandeelhouders een exit-premie te bieden.12 Vaker voorkomend zijn afspraken tussen grootaandeelhouders om minderheidsaandeelhouders die ertoe strekken minderheidsaandeelhouders comfort te bieden dat zij niet in een nadelige positie zullen komen, bijvoorbeeld in de vorm van de benoeming van een of meer onafhankelijke commissarissen na een openbaar bod.