Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/4.1
4.1 Inleiding
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624979:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 3.6 voor de aansprakelijkheidsrisico’s die aan inbezitneming verbonden zijn.
Bijvoorbeeld bij verzuim van de schuldenaar, welk verzuim werd gespecificeerd in een lijst met events of default.
Burn & Cartwright 2011, p. 853, voetnoot 364: Silven Properties Ltd v Royal Bank of Scotland plc [2003] EWCA Civ 1409, [2004] 1 WLR 997 at [21]-[29] (Lightman J). Clark e.a. 2014, p. 509 beschrijft de geheel eigen aard van de agent in zijn relatie tot mortgagee en mortgagor. Het leerstuk van vertegenwoordiging naar Engels recht valt buiten het bestek van dit onderzoek.
Chatsworth Properties Ltd v Effiom [1971] 1 WLR 144, Standard Chartered Bank Ltd v Walker [1982] 1 WLR 1410, American Express International Banking Corp v Hurley [1985] 3 All ER 564. Ook toen het aanstellen van een bewindvoerder gebruikelijker werd, en deze steeds meer beheerbevoegdheden kreeg, bleef de bewindvoerder een vertegenwoordiger (agent) van de hypotheekgever: Clark e.a. 2014, p. 504: Jefferys v Dickson (1866) 1 Ch App 183 at 190.
Clark e.a. 2014, p. 560.
Na de bevoegdheid tot inbezitneming die in hoofdstuk 3 is besproken, komt in dit hoofdstuk de tweede hypothecaire bevoegdheid van de Engelse hypotheekhouder aan bod: de mogelijkheid om een bewindvoerder aan te wijzen (appointment of a receiver).
De omvangrijke aansprakelijkheden die met inbezitneming gepaard gaan, waren hypotheekhouders eeuwen geleden al een doorn in het oog.1 Hiervoor werd dan ook een oplossing bedacht. De hypotheekgever diende bij het aangaan van de kredietovereenkomst te accepteren dat de hypotheekhouder onder bepaalde voorwaarden een bewindvoerder (receiver) mocht aanwijzen.2 De taak van deze bewindvoerder was ervoor te zorgen dat de hypotheekgever zijn betalingsverplichtingen jegens de hypotheekhouder nakwam. Daarom inde de bewindvoerder de huur, hield daarvan de verschuldigde rente af en keerde slechts het surplus aan de hypotheekgever uit. Bijzonder aan de rechtspositie van zo’n bewindvoerder was dat hij zijn functie vervulde als vertegenwoordiger (agent) van de hypotheekgever.3 Hierdoor werd zijn handelen, en dus ook zijn fouten en nalaten, volledig toegerekend aan de hypotheekgever.4 De hypotheekhouder kon op die manier dus betaling van de rentetermijnen veilig stellen, zonder dat hij het risico liep aansprakelijk te zijn voor het gevoerde vastgoedbeheer.
De bevoegdheid om het vastgoed onder bewind te stellen werd een populaire bevoegdheid die standaard in kredietovereenkomsten werd opgenomen. Inmiddels heeft zij een plaats gekregen in de wet; art. 101(1)(iii) LPA 1925 bepaalt:
‘101 Powers incident to estate or interest of mortgagee.
A mortgagee, where the mortgage is made by deed, shall, by virtue of this Act, have the following powers, to the like extent as if they had been in terms conferred by the mortgage deed, but not further (namely):
A power, when the mortgage money has become due, to appoint a receiver of the income of the mortgaged property, or any part thereof; or, if the mortgaged property consists of an interest in income, or of a rentcharge or an annual or other periodical sum, a receiver of that property or any part thereof; and (…)’
In deze paragraaf komen verschillende aspecten van dit bewind aan bod. Eerst komt het ontstaansmoment van de bevoegdheid om een bewindvoerder aan te wijzen aan de orde en de manier waarop dat dient te gebeuren (par. 4.2). Daarna wordt ingegaan op de omvang van de werkzaamheden van de bewindvoerder (par. 4.3), zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid (par. 4.4.1), zijn rekening-en-verantwoordingsplicht (par. 4.4.2), bewind bij insolventie van de hypotheekgever (par. 4.5) en tot slot de wijze waarop bewind in de praktijk wordt gebruikt (par. 4.6).
Voor vrijwel elk van deze elementen geldt dat de toepasselijke wetsbepalingen slechts regelend recht bevatten. De wettelijke regeling fungeert in de praktijk daarom vooral als uitgangspositie; partijen leggen veelal in hun overeenkomst vast hoe zij precies invulling willen geven aan de bevoegdheid van de hypotheekhouder om een bewindvoerder aan te stellen. Hiermee wordt rekening gehouden in deze paragraaf; als startpunt wordt de wettelijke uitgangspositie beschreven, daarna wordt ingegaan op de contractuele mogelijkheden die financiers plegen te benutten om hun positie verder te versterken.
Tot slot nog een opmerking over de wijze waarop een bewindvoerder wordt aangewezen. Een hypotheekhouder kan de bewindvoerder zelf aanwijzen of hij laat dit doen door de rechtbank. In dit laatste geval is de bewindvoerder een officer of the court. Voor een hypotheekhouder biedt de gerechtelijke procedure geen voordelen. Het is een langzaam en kostbaar proces. Bovendien kan de hypotheekhouder in dat geval niet zelf bepalen wie bewindvoerder wordt en wat de precieze reikwijdte van zijn werkzaamheden zullen zijn.5 In de praktijk wordt de procedure tot het aanwijzen van een rechtbank-bewindvoerder daarom slechts zelden gevolgd. Zij wordt ook niet verder in dit onderzoek betrokken, temeer omdat een rechtbank-bewindvoerder voor de hypotheekhouder niet méér mogelijkheden biedt om de hypothecaire vordering terugbetaald te krijgen dan een door hemzelf aangewezen bewindvoerder.