Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.4.1
3.5.4.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940492:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Engelse tekst van art. 14 lid 2 BUPO-verdrag is gelijkluidend. De Nederlandse vertaling van die bepaling wijkt echter af van de vertaling van art. 6 EVRM en bepaalt dat het vermoeden van onschuld geldt totdat de schuld ‘volgens de wet is bewezen’. Deze vertaling lijkt dus wat dichter tegen de oorspronkelijke tekst aan te liggen. Materieel is het belang van het verschil in vertaling niet bijzonder groot, zie ook Haas 2009, par. 13.1.
HR 18 november 1992, BNB 1993/40, FED 1993/143, V-N 1992, p. 3722, r.o. 3.5. Zie over de precieze betekenis van deze strofe nader Bemelmans 2018, par. V.3.3.1-3.3.2 en p. 220.
EHRM 8 juni 1976 (Engel e.a.), nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978, 223, r.o. 90. Dit arrest werd besproken in paragraaf 3.5.2.1. Zie omtrent dit aspect nader paragraaf 9.3.1 en paragraaf 9.4.17.
Vgl. de uit het strafrecht bekende ‘ad informandum’ gevoegde feiten.
De Nederlandse vertaling van art. 6 lid 2 EVRM luidt, dat een ieder tegen wie een ‘vervolging’ is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. De authentieke Engelse tekst is:1
‘Everyone charged with a criminal offence shall be presumed innocent until proved guilty according to law.’
De schuld van de verdachte aan het begaan van het strafbare of beboetbare feit moet dus in rechte worden bewezen, anders kan er geen veroordeling volgen. De verdachte moet namelijk tot het zover is voor onschuldig worden gehouden. De Hoge Raad heeft over de betekenis van de strofe ‘according to law’ uit art. 6 lid 2 EVRM opgemerkt dat ‘aan de hand van de ingevolge het nationale recht geldende regels en met inachtneming van de waarborgen die, ook met betrekking tot de bewijslevering, gelegen zijn in het ‘fair trial’-beginsel en in het vermoeden van onschuld, onderzocht moet worden of het bewijs geleverd is’.2
De reikwijdte van de onschuldpresumptie is niet onbegrensd. Zo strekt de onschuldpresumptie zich bijvoorbeeld niet uit tot de strafmaat. Het EHRM heeft in het eerdergenoemde arrest Engel geoordeeld dat het vermoeden van onschuld zoals neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM enkel ziet op de bewijslast van de schuld aan een strafbaar of beboetbaar feit en niet op de hoogte van de straf of de soort straf.3 De rechter mag daarom bij de strafoplegging ter zake van een behoorlijk bewezen strafbaar feit, rekening houden met eerdere (vermeende) overtredingen waarvoor geen vervolging en veroordeling heeft plaatsgevonden. Dat komt niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM, omdat het een strafmaatkwestie is en niet gaat over de schuldvraag.4