Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.2.3.1.2
3.2.3.1.2 Enige aanpassingen in 1863
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS441326:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Troplong (1843), nr. 434. Zie uitvoerig hoofdstuk 4.
Troplong (1843), nr. 434-435, De Marolles (1862), p. 79-80, Bravard-Veyrières (1890), p. 249-250.
Zo Troplong (1843), nr. 436, Bédarride (1856), nr. 254, Alauzet (1868), nr. 319. Anders: Delangle (1843), nr. 398-400.
Troplong (1843), nr. 435, Delangle (1843), nr. 382, Demaison (1868), p. 140-141.
Troplong (1843), nr. 434-435.
Bravard-Veyrières (1890), p. 250, voetnoot 1. Onjuist is dus de stelling van Huussen-de Groot (1976), p. 47, dat de wet van 6 mei 1863 bewerkstelligde dat de stille vennoot geen enkele bestuurshandeling mocht verrichten, zelfs niet als gevolmachtigde.
Loi qui modifie les art. 27 et 28 du Code de commerce (du 6 mai 1863, promulguée le 9 mai 1863).
Auvray (1880), p. 42-43, Vavasseur (1896), nr. 298, Potu (1910), p. 268-270.
Bédarride (1878), nr. 244ter.
Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 493, Thaller (1904), nr. 406, Potu (1910), p. 269.
Deze bepaling betreft ondanks de formulering ervan strikt genomen de reikwijdte van het bestuursverbod, die is opgenomen in art. 27, en niet de gevolgen van overtreding daarvan, die zijn opgenomen in art. 28.
Zie over de wetsgeschiedenis van deze wet Alauzet (1868), nr. 317 en 321. Voor een opsomming van daaraan voorafgaande jurisprudentie: Alauzet (1868), nr. 318.
Bédarride (1878), nr. 244septimo, Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 490, Potu (1910), p. 210-211.
Demogue (1901), p. 125-135.
Bédarride (1878), nr. 244octavo.
Zie hoofdstuk 2.
Thaller (1904), nr. 405, Potu (1910), nr. 67-73, Pic (1933), p. 28.
Potu (1910), nr. 70.
In de doctrine werden tegen de in art. 27 van de Code de Commerce voorkomende zinsnede ‘ni être employé pour les affaires de la société’ bezwaren ontwikkeld. De kritiek bestond daarin dat deze woorden, die om overwegingen van taalkundige esthetiek de in eerdere ontwerp-wetteksten voorkomende woorden ‘ni y être employé’hadden vervangen,1 aanleiding gaven tot een ruimere uitleg dan de wetgever had bedoeld.2 De opzet van de bepaling was er oorspronkelijk op gericht duidelijk te maken dat het uitoefenen van bestuurshandelingen de commanditair was verboden, ongeacht de titel die daaraan ten grondslag lag. Naar de bedoeling van de wetgever zou het de commanditair toegestaan moeten zijn ondergeschikte functies binnen de vennootschap te bekleden, zoals die van boekhouder, kassier of commies, waaraan geen bestuursbevoegdheden waren verbonden.3 Ook zou het hem mogelijk moeten zijn voor eigen rekening en risico transacties te verrichten met de commanditaire vennootschap als zijn wederpartij.4 De woorden ‘ni être employé pour les affaires de la société’ riepen evenwel twijfel op over de geoorloofdheid van dit soort posities en gedragingen.5 Met het oogmerk deze twijfels weg te nemen6 werd bij wet van 6 mei 18637 deze zinsnede geschrapt. Vanaf dat ogenblik luidde art. 27 van de Code de Commerce als volgt:
‘Article 27:
L’associé commanditaire ne peut faire aucun acte de gestion, même en vertu de procuration.’
Sindsdien kan niet meer worden betwist dat het werknemers van de vennootschap geoorloofd is als commanditair op te treden.8 Dit werd in het bijzonder toegejuicht door de praktijk, die behoefte had aan een middel om medewerkers te kunnen laten delen in de winsten van de onderneming.9 Daarbij past wel de kanttekening dat een commanditair met een ondergeschikte functie binnen de vennootschap zich dan wel in die rol moest schikken en zich niet naar buiten als leidinggevende mocht gaan gedragen: zou hij dat wel doen, dan zou hij toch het bestuursverbod overtreden.10
Wetssystematisch niet geheel zuiver11 is bij diezelfde wet aan art. 28, waarin de gevolgen van overtreding van het bestuursverbod zijn opgenomen, een lid toegevoegd met een opsomming van een aantal interne handelingen van een commanditair die niet als een overtreding van het bestuursverbod konden worden aangemerkt en daarom geen aansprakelijkheid van de commanditair met zich brachten:12
‘Article 28 al. 2:
Les avis et conseils, les actes de contrôle et de surveillance, n’engagent point l’associé commanditaire.’
De jurisprudentie had eerder al in deze zin geoordeeld, maar de wetgever wilde door codificatie van deze regel elk misverstand op dit vlak uitsluiten.13 Over de wijze waarop en de frequentie en de intensiteit waarmee de commanditair deze bevoegdheden kon uitoefenen bestond overigens grote onduidelijkheid.14 Daarnaast is het interessant te zien dat de commanditair geen actie tot schadevergoeding werd toegekend ingeval de gecommanditeerde vennoot niet overeenkomstig diens adviezen en raadgevingen handelde: als deze de gecommanditeerde vennoot zouden binden, dan zou hij een instrument worden in de handen van de commanditairen, en een dergelijke situatie zou als een overtreding van het bestuursverbod moeten worden aangemerkt.15 Opmerkelijk is dat dit standpunt een eeuw later ook in het Nederlandse recht wordt ingenomen,16 waarbij deze ontwikkeling in Nederland niet kenbaar is beïnvloed door of inspiratie heeft ontleend aan dit oude Franse recht.
Aantekening verdient ten slotte dat er in de eerste helft van de 20e eeuw enige malen in de Franse doctrine is gepleit voor een algehele afschaffing van het bestuursverbod. De rechtsgronden voor het bestuursverbod werden niet langer als valabel gezien.17 Bovendien werd het als een innerlijke tegenstrijdigheid beschouwd dat een commanditair niet zou zijn toegestaan wat een aandeelhouder in een société à responsabilité limitée wel was toegestaan.18 Deze argumenten zullen in hoofdstuk 5 in een breder kader aan de orde komen.