Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.J.1:V.J.1. De KNB-jaarvergadering van 2006
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.J.1
V.J.1. De KNB-jaarvergadering van 2006
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS409340:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens de jaarlijkse algemene ledenvergadering van de Koninklijke Notarie-le Beroepsorganisatie op 6 oktober 2006 met als onderwerp de evaluatie van het nieuwe erfrecht in de praktijk, werd er nog stevig over gediscussieerd. Kon hij het nu wel of kon hij het nu niet die nieuwe afwikkelingsbewindvoer-der?1 Wat er van de discussie ook zij, de teneur is in ieder geval dat het goed zou zijn voor de notariele praktijk dat er duidelijkheid kwam in deze. Toeval bestaat niet in het recht en dat bleek maar weer toen reeds vijf dagen na de jaarvergadering door de rechtbank Den Haag (in meervoudige kamer) op 11 oktober 20062 het erfrechtelijke machtswoord gesproken werd. Een belangrijke stap vooruit in de notariele rechtsontwikkeling. Ondanks dat het geen arrest van de Hoge Raad betreft, is het belang van de uitspraak mijns inziens groot. Het vonnis maakt immers gewag van het feit dat de strijdende partijen (zowel erfgenamen als afwikkelingsbewindvoerder) zich bediend hebben van juridisch zwaar geschut. De executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft een door de betrokken notaris ingewonnen advies van het Notarieel Juridisch Bureau van de Koninklijke Notariele Beroepsorganisatie in het geding gebracht en de erfgenamen hebben een notitie van een Leidse hoogleraar notarieel recht overlegd. Derhalve een uitspraak met juridische allure of anders gezegd: partijen hebben er werk van gemaakt. De uitspraak draait niet om de hete brij heen, is systematisch opgebouwden heeft het karakter van een vier-trapsraket. Achtereenvolgens wordt in het vonnis, in het licht van art. 4:171 BW, ingegaan op de doctrine, de bedoeling van de wetgever, de bedoeling van erflater (het testament) en de zorgplicht. Dit stramien zal ik ook hierna aanhouden. Ik abstraheer enigszins van de casus en vat deze als volgt samen. De executeur-afwikkelingsbewindvoerder Y droeg (in 2005), zonder medewerking van de erfgenamen, een onroerende zaak over aan derden. De erfgenamen stelden zich op het standpunt dat Y niet bevoegdwas om de woning zonder hun toestemming te vervreemden. Kortom, kon hij het wel of kon hij het niet? Dat was de beladen, voor wetenschap als praktijk, zo belangrijke vraag waar de rechtbank Den Haag voor stond.