Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/9.3.2.5
9.3.2.5 Overmacht en andere verweermiddelen
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS382380:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mits uiteraard de schuldeiser zelf niet in schuldeisersverzuim verkeert (art. 6:62), zie ook Schoordijk 1979, p. 158-159.
Zie bijv. Asser/Hartkamp 2004 (44), nr. 644; De Vries 1997a, p. 30; Broekema-Engelen (Verbintenissenrecht), art. 6:79, aant. 4; en De Jong 2006a, nr. 36.
Vegter 1991, p. 171-172.
Anders het Ontwerp Meijers, zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 484-485.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 488-489. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (64*), nr. 373 en 377; en De Vries 1997a, p. 26-27.
De Vries 1997a, p. 27-31. Zie ook Heemskerk in zijn noot onder 5 bij HR 14 januari 1983, NJ 1983, 267; en De Jong 2006a, nr. 36.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (64*), nr. 341 en 356.
Vgl. Müko/Busche 2005, § 637, nr. 5. Indien de schuldenaar zich tegen nakoming verweert met een beroep op relatieve onmogelijkheid en de schuldeiser een derde kan vinden die de prestatie wil verrichten voor een prijs onder de redelijkheidsgrens (130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang) biedt art. 6:79 wellicht een basis voor een rechterlijke machtiging.
Vgl. HR 2 november 1917, NJ 1917, p. 1136; en HR 26 mei 1939, NJ 1939, 896 m.nt. EMM. Zie voor vergelijkbare voorbeelden naar Engels recht Treitel 2004b, nr. 8-004 t/m 8-006, p. 352-355.
Benadrukt moet worden dat art. 6:79 in dit geval niet alleen de mogelijkheid voor de schuldeiser verruimt om in geval van overmacht tot executie of verrekening over te gaan, maar dat het artikel de schuldenaar ook de bevoegdheid verschaft om nakoming te vorderen van de verbintenis die de schuldeiser op zich had genomen. In het normale geval biedt overmacht de schuldenaar enerzijds een verweermiddel tegen de door de schuldeiser ingestelde vorderingen tot schadevergoeding en nakoming, maar leidt overmacht er anderzijds toe dat de schuldenaar niet de tegenprestatie kan vorderen, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 377. Indien nu de schuldenaar in overmacht verkeert en de schuldeiser zich door executie of verrekening het verschuldigde kan verschaffen (art. 6:79), is het alleszins aannemelijk dat de schuldenaar het recht behoudt de tegenprestatie te vorderen.
Vgl. voor Frans recht Debily 2002, nr. 361, p. 369-370. Voor Duits recht Staudinger/Peters 2003, § 635, nr. 11; en Müko/Busche 2005, § 637, nr. 5. Voorts valt bijv. te denken aan de door de schuldenaar in te roepen verweren van rechtsverwerking (art. 6:2 lid 2 jo. art. 6:248 lid 2), misbruik van bevoegdheid (art. 3:13), crediteurs-verzuim (art. 6:58 e.v.) en gebrek aan belang (art. 3:303).
Wéry 1993, nr. 191, p. 264-265; en Debily 2002, nr. 286 en 292, p. 304 en 309-310, menen mijns inziens terecht dat er bij de rechterlijke machtiging geen ruimte is voor het verweer dat de ernst van de tekortkoming de rechterlijke machtiging niet rechtvaardigt, zoals bij omzetting (art. 6:87 lid 2) en ontbinding (art. 6:265 lid 1). Het nakomingsachtige karakter van de rechterlijke machtiging verzet zich volgens de auteurs tegen een dergelijke evenredigheidstoets. Daaraan kan worden toegevoegd, dat de rechterlijke machtiging verschilt van vervanging bij koop, waar eveneens een proportionaliteitstoets bestaat (art. 7:21 lid 1 onder c), omdat, in tegenstelling tot het alternatief van herstel bij vervanging, voor de rechterlijke machtiging geen op nakoming gericht alternatief bestaat, anders dan de vordering tot nakoming zelf. Nadat de schuldenaar in gebreke is gesteld, maar nakoming is uitgebleven, zie ik geen ruimte voor het verweer dat de geringe ernst van de tekortkoming de rechterlijke machtiging niet zou rechtvaardigen.
Zie voor het Duitse recht over § 637 BGB Staudinger/Peters 2003, § 634, nr. 69bb.
Artikel 6:79 geeft de schuldeiser de bevoegdheid om zichzelf door executie of verrekening het verschuldigde te verschaffen, indien de schuldenaar wegens een door hem niet toe te rekenen oorzaak is verhinderd na te komen.1 Verschillende auteurs lezen in art. 6:79 een uitzondering op de hoofdregel dat overmacht aan een veroordeling tot nakoming in de weg staat.2 Algemeen wordt aangenomen dat art. 6:79 de schuldeiser in geval van overmacht niet alleen het recht verschaft op de inzet van directe executiemiddelen, zoals executie tot afgifte (art. 491 Rv), maar ook het recht op een rechterlijke machtiging.3
Vegter heeft de keuze van de wetgever om de rechterlijke machtiging los te koppelen aan het recht op nakoming bekritiseerd. De bevoegdheid van de schuldeiser om in geval van blijvende overmacht op kosten van de schuldenaar een derde in te schakelen, leidt volgens Vegter tot een `Haftung ohne Schuld'. Met het ontstaan van de blijvende overmacht is de verbintenis volgens Vegter teniet gegaan.4 Vegter miskent echter dat overmacht in het geldende recht5 de verbintenissen intact laat, maar alleen een veroordeling tot schadevergoeding en nakoming blokkeert.6
De Vries merkt terecht op dat de bevoegdheid van de crediteur ex art. 6:79 niet beperkt behoort te blijven tot het geval dat de debiteur in overmacht verkeert, maar ook van toepassing is indien de verhindering hem valt toe te rekenen.7 Artikel 6:79 verschaft de schuldeiser dus het recht zich door executie of verrekening de prestatie te verschaffen niet alleen bij overmacht, maar ook bij een aan de schuldenaar toe te rekenen verhindering in de nakoming.
De ruimte voor een rechterlijke machtiging in geval van al dan niet-toerekenbare onmogelijkheid is echter beperkt. Voor een succesvol beroep op onmogelijkheid moet immers sprake zijn van een verhindering in de nakoming. Van een verhindering is geen sprake indien de schuldenaar niet kan nakomen, maar de prestatie wel door een derde kan laten verrichten.8 De schuldenaar dient in dat geval een derde in te schakelen en hem de prestatie te laten verrichten (art. 6:30). Laat hij dat na, dan schiet hij toerekenbaar tekort en kan de schuldeiser nakoming of schadevergoeding vorderen. Van overmacht is slechts sprake, indien het de schuldenaar niet is toe te rekenen dat noch hijzelf noch een derde de prestatie kan uitvoeren. In dat geval zal doorgaans niet alleen de weg van nakoming en schadevergoeding zijn afgesneden, maar is ook een rechterlijke machtiging uitgesloten, omdat de prestatie niet door een derde kán worden verricht.9
Art. 6:79 verruimt wel de bevoegdheden van de schuldeiser in het volgende geval. Een buitenlandse schuldenaar kan zijn verbintenis om zaken te leveren nietnakomen, omdat hij onderdaan is van een land dat in oorlog is met het land van de schuldeiser en een wet hem verbiedt handel met de vijand te drijven.10 Krachtens art. 6:79 kan de schuldeiser executoriaal verhaalsbeslag leggen om zich door uitwinning van de zaken van de schuldenaar die zich in het land van de schuldeiser bevinden (art. 491 Rv) de nakoming te verschaffen.11
Net als bij de vordering tot nakoming dient de rechter de gevorderde rechterlijke machtiging af te wijzen, indien de schuldenaar zich erop beroept dat de daarmee gemoeide kosten een onevenredig nadeel opleveren waarmee hij zich ook met succes tegen een vordering tot nakoming had kunnen verweren (130%-richtlijn).12 Een andere conclusie zou ertoe leiden dat de schuldeiser het verweermiddel van de relatieve onmogelijkheid zou kunnen omzeilen door een rechterlijke machtiging te vorderen.13 Ten slotte dient de schuldeiser geen rechterlijke machtiging te verkrijgen, indien het recht op nakoming bij rechtshandeling is beperkt of uitgesloten, dan wel wanneer de rechtsvordering tot nakoming is verjaard.14