Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.4.2:12.1.4.2 Transactiewaarde van ingevoerde goederen bij opeenvolgende verkopen
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.4.2
12.1.4.2 Transactiewaarde van ingevoerde goederen bij opeenvolgende verkopen
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258622:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een bijzondere regeling niet zijnde de regeling intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien opeenvolgende verkopen plaatsvinden voordat de goederen fysiek het douanegebied van het land van invoer bereiken, moet worden bepaald op basis van welke verkooptransactie de douanewaarde wordt vastgesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen het first-sale en last-sale principe (onderdeel 9.2). Bij de toepassing van het first-sale principe mag de douanewaarde bij een eerste of eerdere verkoop plaatsvinden zolang de verkooptransactie kwalificeert als verkoop voor uitvoer. Onder toepassing van het last-sale principe wordt de laatste verkoop in aanmerking genomen om de douanewaarde te bepalen. Onder het DWU wordt aangesloten bij de laatste verkoop voor uitvoer ex artikel 128, lid 1, UDWU.
Het last-sale principe in artikel 128, lid 1, UDWU brengt met zich dat voor het bepalen van de douanewaarde wordt aangesloten bij de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht plaatsvindt (onderdeel 9.4.2). De draagwijdte van het begrip verkoop voor uitvoer is hierbij van belang. Zoals ook in onderdeel 12.1.3.4 aangegeven moet er naar mijn mening ten minste financieel risico over zijn gegaan om te kunnen spreken van een verkoop voor uitvoer. Daarom zijn naar mijn mening (bijzondere vormen van) verkooporders in de regel niet aan te merken als verkoop voor uitvoer (onderdeel 9.4.5). Indien geen verkoop voor uitvoer plaatsvindt, moet de douanewaarde overeenkomstig een alternatieve waarderingsmethode worden vastgesteld. De situatie zoals beschreven in artikel 128, lid 2, UDWU vormt daarop een uitzondering. Als goederen niet worden verkocht voor uitvoer, maar bij aankomst in het douanegebied in tijdelijke opslag of onder een bijzondere regeling1 worden geplaatst, kan de douanewaarde nog steeds worden bepaald op basis van de transactiewaarde (onderdeel 9.4.3). De transactiewaarde wordt dan vastgesteld aan de hand van de verkoop die plaatsvindt terwijl de goederen zich in tijdelijke opslag of onder een bijzondere regeling bevinden. Als er meer dan één verkoop plaatsvindt, zou het marktdeelnemers omwille van de eenvoud van het douanewaardesysteem vrij moeten staan om een keuze te maken tussen de verkopen. De Europese Commissie heeft in de Guidance on Customs Valuation van 17 september 2020 echter aansluiting gezocht bij de verkoop die zo dicht mogelijk bij fysieke binnenkomst van het te waarderen goed ligt.
De Europese Commissie heeft ten tijde van het toepasselijk worden van het DWU-wetgevingspakket een Guidance on Customs Valuation uitgevaardigd. Daarin is het concept domestic sale geïntroduceerd (onderdeel 9.4.4). Dit concept houdt in dat een verkoop tussen een koper en een verkoper die in de Europese Unie zijn gevestigd niet kwalificeert als verkoop voor uitvoer. Deze zienswijze verhoudt zich niet met arresten van het Hof van Justitie en ontbeert een juridische inbedding in het DWU-wetgevingspakket. Het is om die reden dat het concept domestic sale inmiddels is afgeschaft met de komst van de herziene versie van het Guidance document on customs valuation.
Hoewel in het DWU-wetgevingspakket is gekozen om aansluiting te zoeken bij het last-sale principe, wordt in de CVA niet expliciet aangegeven of voor de vaststelling van de transactiewaarde van ingevoerde goederen bij opeenvolgende verkopen aangesloten moet worden bij het first-sale of last-sale principe. Daarom moet aan de elementen van het toetsingskader worden getoetst of het first-sale of last-sale principe prevaleert. Hieruit volgt dat zowel het first-sale als last-sale principe zich op bepaalde punten niet verhouden met de uitgangspunten van de CVA. In dat kader lijkt het last-sale principe in bepaalde gevallen een non-tarifaire belemmering op te kunnen werpen als de importeur niet over de benodigde administratieve gegevens beschikt, omdat hij niet als koper of verkoper bij de last-sale is betrokken. De toepassing van het first-sale principe kan er echter toe leiden dat de transactiewaarde niet gelijk is aan de werkelijke waarde van de ingevoerde goederen, omdat bepaalde bijtelelementen niet in aanmerking worden genomen (punt 2 in de onderdelen 9.6.2 en 9.6.4). Deze afbreuk aan de uitgangspunten van de CVA lijkt zwaarder te wegen dan de eventuele administratieve lastenverzwaring die het last-sale principe met zich brengt. Daarom lijkt een lichte voorkeur uit te gaan naar de toepassing van het last-sale principe boven het first-sale principe. Dit komt tegelijk de uniformiteit ten goede nu, ten gevolge van de publicatie van Commentary 22.1, nagenoeg alle WHO-landen een last-sale principe toepassen.
Hoewel in navolging van voornoemde interpretatie van de CVA in het DWU-wetgevingspakket eveneens wordt aangesloten bij het last-sale principe, is de wijze waarop het last-sale principe is ingebed juridisch onhoudbaar. De reden daartoe is dat naar mijn mening de Europese Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden heeft overschreden (onderdeel 9.4.6.6). Daarom behoeven de bepalingen in het DWU-wetgevingspakket aanpassing en beveel ik de introductie van het ‘koper in EU’-concept aan (onderdelen 9.7.3). In onderdeel 12.2.2 wordt nader ingegaan op deze aanbeveling.