Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/10.3.3
10.3.3 Kritiek op het arrest-Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448762:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 19 januari 2010, Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland, r.o. 38-40 (zaaknr. 26654/08).
Tjepkema wijst erop dat oordelen van het EHRM, waarin een klager een abstracte voorzienbaarheid wordt tegengeworpen, zwak vertegenwoordigd zijn. Hij stelt dat het EHRM afkerig lijkt van zulke, kennelijk vaag geachte maatstaven, hoewel zij soms wel gehanteerd worden (zie Tjepkema 2010, p. 664 en 704).
Zie ook Van Ravels 2005, p. 12-13 en de daar aangehaalde auteurs.
Zie Tjepkema en Van Ravels in het kader van nadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel (Tjepkema 2010, p. 433-434 en Van Ravels 2005, p. 30-31).
Vergelijk ook de rechtspraak van de ABRvS over de voorzienbaarheid in het kader van nadeelcompensatie en tegemoetkomingen in planschade ex art. 6.1 Wro (zie bijvoorbeeld ABRvS 10 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7681 en ABRvS 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:737).
Overigens valt de klagers in de zaak-Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland in het geheel geen voorzienbaarheid tegen te werpen, omdat het bestemmingsplan alleen het gebruik van het perceel als benzinestation toestond en dit gebruik volgens de milieuregelgeving verboden was. Het maken van aanpassingskosten voor het mogelijk maken van een ander gebruik was dus zinloos geweest. Het staken van het gebruik als benzinestation tezamen met verkoop van het perceel zou economisch ook geen begaanbare weg zijn geweest, omdat niet aannemelijk is dat iemand geld zou willen betalen voor een perceel dat volgens de milieuregelgeving niet als benzinestation gebruikt mag worden en volgens het bestemmingsplan ook niet voor iets anders.
Vergelijk ook Tjepkema 2010, p. 435 in het kader van de abnormale last bij het égalitébeginsel: ‘Hoe ernstiger de ingreep, hoe concreter de bron van voorzienbaarheid zal moeten zijn, wil het bestuursorgaan een schadeclaim geheel (en met succes) van de hand kunnen wijzen.’ Min of meer hetzelfde merkt hij op over de voorzienbaarheid in het kader van de proportionaliteitsbeoordeling onder art. 1 EP (zie Tjepkema 2010, p. 707).
De overwegingen van het in de vorige paragraaf besproken, voor het milieurecht belangrijke arrest-Huoltoasema Matti Eurén Oy e.a./Finland rechtvaardigen uit een oogpunt van dogmatiek en de rechtspraktijk een nadere, kritische bespreking.1 Het is mogelijk dat het ehrm meende dat het proportionaliteitsvereiste in deze zaak niet geschonden was vanwege de nog bestaande mogelijkheid om naar nationaal recht schadevergoeding te vorderen. Het ehrm overwoog echter ook dat de klagers geen gerechtvaardigde verwachting konden hebben gehad dat zij een milieuvergunning zouden krijgen (omdat het hun eerste aanvraag was) en dat zij beseft moesten hebben dat milieubescherming steeds belangrijker was geworden. Het kan daarom ook zijn dat het ehrm van oordeel was dat het ‘fair balance’-vereiste ook niet geschonden zou zijn, indien aan de klagers in het geheel geen schadevergoeding zou worden geboden. Dat het ehrm zijn arrest zo formuleert dat deze onduidelijkheid over de strekking van zijn oordeel heerst is uiteraard op zichzelf al kritiek waard. Kritiek verdient het arrest echter vooral, indien zijn oordeel aldus begrepen moet worden dat in zijn ogen (ter waarborging van een ‘fair balance’) geen schadevergoeding aan de klagers geboden hoefde te worden omdat de klagers geen gerechtvaardigde verwachting konden hebben gehad dat zij een milieuvergunning zouden krijgen en dat zij zich gerealiseerd moesten hebben dat milieubescherming steeds belangrijker was geworden. Het ehrm miskent naar mijn oordeel dan namelijk dat de invoering van het (wettelijke) vergunningstelsel in 2000 en de (daarop volgende) weigering van een vergunning tot gevolg hadden dat de klagers het gebruik van hun eigendommen als benzinestation moesten staken, terwijl zij hun eigendommen vóór de invoering van het vergunningvereiste reeds 35 jaar legaal als zodanig hadden gebruikt. De overweging dat de klagers zich gerealiseerd moesten hebben dat milieubescherming steeds belangrijker was geworden kan mijns inziens bovendien niet rechtvaardigen dat het aanbieden van een schadevergoeding achterwege kan blijven. Het steeds belangrijker worden van milieubescherming is immers een erg abstracte ontwikkeling die niet voorzienbaar maakt dat een bepaald bedrijf zijn activiteiten (het gebruik van zijn eigendommen) uit milieuoverwegingen geheel of gedeeltelijk zal moeten staken. Dergelijke abstracte ontwikkelingen kunnen mijns inziens weliswaar in de proportionaliteitsbeoordeling betrokken worden, maar er dient wel terughoudendheid te worden betracht met het (geheel) laten afstuiten van een vordering tot schadevergoeding enkel op de voorzienbaarheid van een abstracte ontwikkeling.2 In zekere zin is immers elke abstracte ontwikkeling voorzienbaar,3 waardoor zo’n vordering eigenlijk altijd op basis van een dergelijke ontwikkeling zou kunnen worden afgewezen. Tjepkema en Van Ravels wijzen dan ook terecht op het gevaar dat elke discussie over schadevergoeding bij voorbaat dood geslagen wordt door een verwijzing naar de voorzienbaarheid van een abstracte ontwikkeling (algemeen risico).4
Mijns inziens kan een burger alleen voorzienbaarheid tegengeworpen worden, indien de abstracte ontwikkeling die de aanleiding voor de beperking van het gebruik van de eigendom vormt toch zodanig concreet was dat financieel gezien redelijkerwijs van de burger gevergd kon worden dat hij het gebruik van zijn eigendommen (al dan niet door verplaatsing) in overeenstemming had gebracht met die ontwikkeling en dus met de gebruiksbeperking. Van zodanige concreetheid zal meestal (pas) sprake zijn, indien de gebruiksbeperking in een openbaar gemaakt beleidsdocument is voorgesteld of in overweging is genomen.5 Het is immers redelijk noch realistisch een burger de voorzienbaarheid van een (maatschappelijke) ontwikkeling en een gebruiksbeperking tegen te werpen (als een soort eigenschuldverweer), indien die ontwikkeling en gebruiksbeperking weliswaar mogelijk waren maar nog zo onzeker dat een redelijk denkend en handelend persoon nog geen aanpassingskosten gaat maken, laat staan het bestaande gebruik van zijn eigendommen geheel gaat staken.6 Een ander belangrijk gezichtspunt dat hiermee samenhangt maar niet geheel overlapt is de vraag hoe ernstig de aantasting van het eigendomsbelang is. Bij lichtere aantastingen van het eigendomsbelang zal een schadevordering mijns inziens eerder op basis van abstracte voorzienbaarheid kunnen worden afgewezen dan bij zwaardere aantastingen.7 Lichtere aantastingen wegen mijns inziens in de proportionaliteitsbeoordeling namelijk minder zwaar en behoeven om een evenwichtig resultaat te verkrijgen dan ook een minder zwaar tegenwicht (waarbij concretere voorzienbaarheid zwaarder weegt dan abstractere voorzienbaarheid). Bovendien zal een lichtere aantasting door de burger financieel ook makkelijker op te vangen zijn dan een zwaardere aantasting, zodat van hem gevergd kan worden dat hij op basis van een abstracte ontwikkeling eerder anticipeert op een licht aantastende overheidsmaatregel dan op een ernstig aantastende overheidsmaatregel. Het anticiperen op een ernstig aantastende maatregel zal doorgaans immers meer kosten dan het anticiperen op een licht aantastende maatregel.