Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.1.1
13.4.1.1 Aanmerkelijk belang
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232903:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 4.6 Wet IB 2001.
Op grond van artikel 4.4 Wet IB 2001 worden callopties voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling in beginsel gelijkgesteld met de onderliggende aandelen of winstbewijzen. Er geldt echter een uitzondering voor de bepaling of men een aanmerkelijk belang heeft; dan moeten de aandelen c.q. winstbewijzen en/of opties zelfstandig aan het kwantitatieve criterium voldoen.
Voor participaties in open fondsen voor gemene rekening is dit geregeld in artikel 4.5 Wet IB 2001, voor lidmaatschapsrechten in een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag in artikel 4.5a Wet IB 2001 en voor open commanditaire vennootschappen is een gelijkstelling met aandelen opgenomen in artikel 2 lid 3 sub f AWR.
Artikel 4.9 Wet IB 2001.
Artikel 4.10 Wet IB 2001.
Artikel 4.11 Wet IB 2001. Dit doet zich voor na toepassing van een van de verschillende doorschuiffaciliteiten.
Artikel 4.7 lid 1 Wet IB 2001. Op grond van het tweede lid worden aandelen die zich uitsluitend onderscheiden doordat daaraan een benoemingsrecht is verbonden, het recht om de naam van de vennootschap te mogen bepalen of hiermee vergelijkbare rechten, of waaraan een bijzondere aanbiedingsregeling of vergelijkbare regeling geldt, niet beschouwd als een aparte soort.
Zie tevens paragraaf 13.3.
Besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139, Staatscourant nr. 15751.
Dit is reeds lang bestaand beleid, dezelfde voorwaarden kwamen reeds voor in de resolutie van 23 maart 1962, B2/3678, BNB 1962/207, het besluit van 14 november 2000, nr. CPP2000/1943M, het besluit van 23 november 2006, nr. CPP2006/2674M, BNB 2007/69 en het besluit van 4 september 2012, nr. BLKB2012/101M, BNB 2013/22.
Zie voor de voorwaarden aan gefaciliteerde certificering en de gevolgen daarvan nader paragraaf 13.4.1.2.1.
In vergelijkbare zin bijvoorbeeld Dusarduijn, WPNR 2007/6737, paragraaf 4, alsmede E.J.W. Heithuis, Update vraag-en-antwoordbesluit over het aanmerkelijk belang, VFP 2007/5, pagina 12 en (nog enigszins voorzichtig) J.W.J. de Kort, Het certificeren van aanmerkelijkbelangaandelen in de Wet inkomstenbelasting 2001, FTV 2003/2, paragraaf 3.
Vergelijk bijvoorbeeld de toelichting op de genotsrechten van artikel 5.22 lid 3 Wet IB 2001, zie Kamerstukken II vergaderjaar 1998/99, 26 727, nr. 3, pagina 229 – 230. Hoewel Boer mijns inziens terecht opmerkt dat de omschrijving in dit artikel niet direct relevant is voor artikel 4.3 sub a Wet IB 2001, aangezien deze laatste bepaling een eigen omschrijving bevat, zijn beide omschrijvingen wel in hoge mate gelijkluidend (zie Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.3.3.1.2), zodat naar mijn mening bij gebrek aan toelichting op artikel 4.3 Wet IB 2001 zelf, enige ondersteuning bij de interpretatie ontleend kan worden aan de toelichting bij artikel 5.22 lid 3 Wet IB 2001. De door Boer gesuggereerde mogelijke letterlijke interpretatie dat een recht slechts binnen het bereik van de gelijkstelling van artikel 4.3 sub a Wet IB 2001 zou kunnen vallen indien “slechts” sprake is van gerechtigdheid tot voordelen uit aandelen en ook niet meer dan dat, lijkt mij niet passen binnen de bedoeling van deze bepaling. Logischerwijs heeft deze betrekking op rechten die mede een gerechtigdheid tot enige mate van voordelen uit aandelen omvatten, en betreft het woord “slechts” niet meer dan het onderscheid tot het aandeel zelf, dat een meer omvattende, want volledige, gerechtigdheid tot deze voordelen verschaft.
Hofman en Singh zijn evenwel van mening dat het verband tussen de certificaathouder en de vennootschap dermate ver verwijderd is, dat geen sprake is van een genotsrecht, hoewel zij daarbij aantekenen dat artikel 4.3 sub a Wet IB 2001 dusdanig vaag is opgeschreven dat een gefundeerde conclusie niet te trekken is (WFR 2017/7174, paragraaf 4.2.1). Dit miskent echter naar mijn mening dat het vorderingsrecht van de certificaathouder rechtstreeks betrekking heeft op (een deel van) de waarde van de aandelen en/of de hieruit voortvloeiende inkomsten.
Zie nader paragraaf 13.4.1.2.2.
Vergelijk T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Kluwer Deventer 1999, pagina 97 – 98, die in het kader van (on)middellijk aandeelhouderschap een onderscheid maakt tussen “gestalde aandelen” (aandelen gehouden voor rekening en risico van een ander) en aandelen gehouden door een houdstermaatschappij. Hij refereert in dit verband aan de parlementaire geschiedenis bij de huidige aanmerkelijkbelangregeling, die refereert aan via een houdstermaatschappij gehouden belangen, maar waarbij kennelijk niet meer gedacht is aan gestalde aandelen.
Evenzo Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 193, die opmerken dat bij certificaten middellijk aandeelhouderschap ondenkbaar is. Zij zien juridisch eigenaar en certificaathouder beide als onmiddellijk aandeelhouder, beiden voor hun eigen deel, mijns inziens terecht. Indien die certificaathouder tevens economisch eigenaar is, is de juridisch eigenaar voor de aanmerkelijkbelangregeling niet langer relevant. Ook Dusarduijn is van mening dat de certificaathouder onmiddellijk aandeelhouder is (zie WPNR 2007/6737, paragraaf 4). Evenzo Hofman en Singh, WFR 2017/7174, paragraaf 4.2.1.
Zie ten slotte de opmerking van De Kort (FTV 2003, paragraaf 2) dat het kenmerk van middellijk aandeelhouderschap is dat de middellijk aandeelhouder de juridische macht bij de aandelen uitoefent door middel van personen die hij in zijn macht heeft. Deze indirecte macht ontbreekt juist bij certificaten, aangezien het stemrecht dan bij de STAK berust. Dit betekent dat er weinig ruimte is voor de kwalificatie van de certificaathouder als middellijk aandeelhouder. De Kort staat dan ook een kwalificatie als onmiddellijk aandeelhouder voor.
In de parlementaire geschiedenis bij invoering van de huidige aanmerkelijkbelangregeling merkte de staatssecretaris nog op dat een houder van certificaten, die niet met de onderliggende aandelen vereenzelvigd konden worden, middellijk aandeelhouder is; indien wel sprake was van vereenzelviging, was in de ogen van de staatssecretaris sprake van onmiddellijk aandeelhouderschap (Kamerstukken II vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, pagina 45). In zijn besluit van 9 maart 2018 spreekt de staatssecretaris echter van direct aandeelhouderschap, zonder een dergelijk onderscheid te maken.
Van een aanmerkelijk belang is sprake indien men, al dan niet samen met zijn fiscale partner, direct of indirect:1
5% of meer houdt van het geplaatste kapitaal van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld;
rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven die 5% of meer van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen (callopties2);
winstbewijzen heeft die recht geven op 5% of meer van de jaarwinst of van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd; of
gerechtigd is tot het uitbrengen van 5% of meer van de stemmen in de algemene vergadering van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag.
Op grond van een aantal gelijkstellingen met aandelen worden ook situaties buiten het zijn van aandeelhouder in een kapitaalvennootschap onder het aanmerkelijkbelangbegrip gebracht.3 In het bijzonder zij in dit verband gewezen op de genotsgerechtigde van artikel 4.3 Wet IB 2001: degene die gerechtigd is tot voordelen uit aandelen wordt gelijkgesteld met een aandeelhouder en zijn gerechtigdheid wordt aangemerkt als een aandeel. Eenvoudshalve spreek ik hierna in principe slechts van aandelen. Belangen kleiner dan 5% kunnen onder omstandigheden toch tot een aanmerkelijk belang behoren, omdat deze worden meegesleept4 respectievelijk meegetrokken5, of omdat sprake is van een fictief aanmerkelijk belang6. Ten slotte zij gewezen op de regeling voor soortaandelen: indien een vennootschap meerdere soorten aandelen heeft en een aandeelhouder niet 5% of meer van het totale geplaatste kapitaal houdt, maar slechts 5% of meer van een bepaalde soort, dan is alsnog sprake van een aanmerkelijk belang.7
Bij het bepalen van de positie van de certificaathouder binnen de aanmerkelijkbelangregeling dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de certificaathouder die economisch eigenaar van de aandelen is en de certificaathouder die dit niet is. Indien certificaten de houder hiervan de economische eigendom verschaffen, is deze certificaathouder voor toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling de fiscale eigenaar van de aandelen en daarmee de aandeelhouder.8 Indien hij aldus houder is van meer dan 5% van het geplaatste kapitaal van de vennootschap, is hij derhalve aanmerkelijkbelanghouder. Ook de staatssecretaris houdt rekening met de mogelijkheid dat certificaten met uitzondering van het zeggenschapsaspect in hoge mate dezelfde rechten kunnen verschaffen als de onderliggende aandelen, zie het besluit van 9 maart 20189, punt 4.410. Indien aan een aantal voorwaarden voldaan wordt, kunnen de certificaten in zijn ogen vereenzelvigd worden met de gecertificeerde aandelen. Een gevolg daarvan is dat de certificering van de aandelen zijns inziens geen vervreemding van het aanmerkelijk belang behelst en dit derhalve niet leidt tot belastingheffing.11 De omstandigheid dat certificaathouder economisch eigenaar is, heeft naar mijn mening echter als consequentie dat ook indien niet aan de voorwaarden van het voornoemde besluit voldaan is, de certificaathouder nog steeds als aandeelhouder en op die grond (in voorkomend geval) als aanmerkelijkbelanghouder te gelden heeft.12
Indien de voorwaarden waaronder gecertificeerd is zodanig beperkend zijn, dat de certificaten niet de economische eigendom verschaffen, kan de certificaathouder naar mijn mening nog steeds aanmerkelijkbelanghouder zijn, aannemend dat aan het kwantitatieve criterium voldaan is. Hij blijft immers gerechtigd tot ten minste een deel van de voordelen die voortvloeien uit het gecertificeerde vermogen, alsmede naar men kan aannemen (een deel van) de waarde van de gecertificeerde aandelen. Enigszins afhankelijk van de precieze inhoud van de administratievoorwaarden zal het certificaat op grond van artikel 4.3 sub a Wet IB 2001 gelijkgesteld kunnen worden met een aandeel. Weliswaar blijft onduidelijk wat verstaan dient te worden onder het “slechts gerechtigd zijn tot voordelen uit aandelen”, zo bevat de parlementaire toelichting bij de Wet IB 2001 geen nadere uitleg op dit punt, maar de formulering is dermate ruim dat hieronder ook obligatoire aanspraken kunnen vallen.13, 14 In een geval als dit, en uiteraard ook indien de administratievoorwaarden zodanig beperkend zijn dat zelfs op grond van artikel 4.3 Wet IB 2001 geen sprake is van een aanmerkelijk belang, zal de certificering echter in principe wel een belaste vervreemding impliceren.15
De certificaathouder–economisch eigenaar is mijns inziens onmiddellijk aandeelhouder. Weliswaar heeft de Hoge Raad in HR 13 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8160, BNB 1986/4 en HR 18 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7732, BNB 1987/229, in eerste instantie geoordeeld dat sprake was van middellijk aandeelhouderschap, maar in de daarna gewezen arresten HR 6 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1914, BNB 1996/164, en HR 18 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2451, BNB 1998/178, is hij daarop teruggekomen en heeft hij de certificaathouder als onmiddellijk aandeelhouder gekwalificeerd. De omstandigheid dat men de certificaathouder als economisch, en daarmee fiscaal, eigenaar van de aandelen en daarmee aanmerkelijkbelanghouder beschouwt, laat naar mijn mening ook geen ander conclusie toe dan dat de certificaathouder ook als onmiddellijk aandeelhouder gezien moet worden. Het certificaat, dat aanspraak geeft op het gehele economische belang bij de aandelen, wordt ook direct gehouden door de certificaathouder; de STAK vervult slechts de rol van juridisch eigenaar, maar is geen tussenschakel via welke de certificaathouder zijn economische belang houdt, zoals een houdstermaatschappij dat is.16, 17, 18
Dit ligt uiteraard anders indien de certificaathouder geen economisch eigenaar is. Hij heeft weliswaar een onmiddellijk gehouden aanmerkelijk belang, anders zou geen sprake kunnen zijn van belastingheffing in box 2, maar dit betreft de gerechtigdheid (het certificaat) die aanspraak geeft op de voordelen uit aandelen en die op grond van artikel 4.3 sub a Wet IB 2001 gelijkgesteld wordt met een aandeel. De certificaathouder is evenwel niet daadwerkelijk aandeelhouder, maar wordt slechts op grond van de gelijkstelling als zodanig behandeld, omdat zijn gerechtigdheid verband houdt met het aandeel. Bij het ontbreken van economische eigendom ontbreekt echter mijns inziens het onmiddellijk aandeelhouderschap. Vervolgens rijst de vraag of sprake kan zijn van middellijk aandeelhouderschap, aangezien de gerechtigdheid van de certificaathouder wel gebaseerd is op het aandeel. Dit verandert echter niet de omstandigheid dat deze gerechtigdheid slechts een deel van het aan het aandeel verbonden (economische) belang betreft. Deze certificaathouder is daarom in mijn ogen niet als aandeelhouder te zien, noch onmiddellijk, noch middellijk, maar slechts als belanghebbende bij een deel van de waarde van het aandeel.
Tot slot merk ik op dat de staatssecretaris in het hiervoor genoemde besluit van 9 maart 2018, punt 2.2, ingaat op soortaandelen. Hij geeft in dit verband aan dat voor de bepaling of sprake is van een aparte soort uitsluitend de aan het aandeel verbonden rechten van belang zijn; zodat slechts de statuten kunnen bepalen of sprake is van verschillende soorten aandelen. Dit heeft als consequentie dat de omstandigheid dat aandelen gecertificeerd zijn er niet toe leidt dat sprake is van een aparte soort ten opzichte van dezelfde, maar niet gecertificeerde, aandelen in de vennootschap. Dit lijkt mij terecht: de omstandigheid, dat de rechten die een certificaathouder heeft ter zake van een bepaald aandeel contractueel beperkt zijn, doet er niet aan af dat die rechten aan het aandeel als zodanig zijn verbonden. Interessant is overigens dat de staatssecretaris in deze context opmerkt dat een certificaathouder voor de aanmerkelijkbelangregeling een direct belang in de vennootschap heeft. Daarmee ziet hij de certificaathouder als onmiddellijk aandeelhouder19, gelijk de Hoge Raad doet in de recentere van zijn in paragraaf 13.3.2 aangehaalde arresten.
In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende momenten waarop zich bij een aanmerkelijk belang een heffingsmoment kan voordoen: certificering, decertificering en de realisatie van reguliere voordelen of vervreemdingsvoordelen tijdens het bezit van het aanmerkelijk belang. Voorts bespreek ik de mogelijkheid dat de administratievoorwaarden tussentijds gewijzigd worden.