Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.6.3
5.3.1.6.3 Waardering van giften voor de legitimaire massa en de verdeling
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS614403:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 197, alsmede Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 13. Zie ook de paragrafen 8.2 en 11.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 382.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 383. Zie voor dezelfde voorbeelden overigens, Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 136, 137.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 383.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 382, noot 95, met de aldaar vermelde jurisprudentie en literatuurverwijzingen. Zo maakt bijvoorbeeld Kraan bij de verdeling een duidelijk onderscheid tussen de vraag wie recht heeft op toedeling en voor welke waarde het betrokken object in de verdeling moet worden betrokken. CA. Kraan, De waarde van een verzorgingsrecht, WPNR 5442 (1978). Zie ook, E. Boeser, Naar een bewoningsrecht voor de langstlevende echtgenoot?, WPNR 4914 (1966).
HR 23 december 1965, NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp), waarin zoals eerder opgemerkt de verdeling van een huwelijksgemeenschap aan de orde was. Zie ook Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 137.
M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten,WPNR 5494(1979).
Het verdient volgens Perrick overigens de voorkeur om de twee stappen te onderscheiden om daarmee te verduidelijken dat de toedeling mede de waarde van het toegedeelde kan bepalen. Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 137. Zie verder paragraaf 11.
Zie ook paragraaf 11.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 382.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 382, in het bijzonder noot 90. In deze noot vindt Perrick steun bij HR 13 december 1995, BNB 1995, nr. 70c en de conclusie van A-G Moltmaker bij dit arrest. In dit arrest komt de toepassing van de ‘60%-regel’ van art. 21 lid 4 SW oud voor de echtelijke woning op de waardering van uit een ouderlijke boedelverdeling voortvloeide onderbedelingsvorderingen aan de orde. Volgens deze uitspraak is dit ‘waarde bewoond-forfait’ voor de heffing van het successierecht eveneens van toepassing op bedoelde vorderingen. Daaraan doet evenwel niet af dat bij het overlijden van de langstlevende, deze bij het ‘eerste’ overlijden ontstane vorderingen naar de werkelijke (civielrechtelijke)waarde worden gewaardeerd. Perrick handhaaft zijn standpunt in 2007 en voegt daaraan toe dat de werkelijke waarde van de vorderingen wordt bepaald door de werkelijke waarde van de aan de langstlevende toebedeelde woning en niet door wat in de praktijk wel de waarde bewoond wordt genoemd, in aanmerking te nemen. Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 135. Ik vermag niet in te zien op welke wijze Perrick hierin een argument voor het afwijzen van de ‘bewoonde staat’ bij het eerste overlijden kan vinden. Het gaat immers over de heffing van successierecht ter zake van het eerste en het tweede overlijden, waarbij ter zake van het eerste overlijden bovendien van een forfait gebruik wordt gemaakt dat niets over de waarde als zodanig zegt, noch voor de successiebelastingen noch voor het erfrecht. Het is allerminst uitgesloten dat de erfrechtelijke omvang van de bedoelde vorderingen op basis van de waarde in onbewoonde staat worden vastgesteld. De waarde van de onderbedelingsvorderingen dient bij het tweede overlijden opnieuw te worden bezien met inachtneming van alle daarvoor relevante, objectieve factoren. Dat kan tot een ‘100%-benadering’ leiden, maar hoeft niet het geval te zijn. Zie over de ‘60%-regel’ in hoofdstuk 7, § 4.5. Perrick oordeelde over deze kwestie overigens genuanceerder in zijn rechtspraakbespreking in WPNR 5722 (1984). Zie verder paragraaf 4.3.
In overeenkomstige zin, Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 359, noot 126, waarin tevens enige aan deze gedachte ondersteunende jurisprudentie wordt gegeven.
Zie verder paragraaf 11.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 383, 384. De standpunten worden herhaald in Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 137.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 189. Anders HR 4 november 1994, NJ 1996, 485, m.nt. WMK (Erven Oerlemans). Zie paragraaf 4.5.
Voor de berekening van de legitimaire massa bepaalde art. 4:968 BW oud dat de weggeschonken goederen dienen te worden gewaardeerd naar de staat ten tijde van de gift en de waarde ten tijde van het overlijden. De staat ziet op de omvang van een recht en op de stoffelijke toestand van de rechtsobjecten. Daarentegen is de waarde, zo betoogt Perrick, geen intrinsieke eigenschap van voorwerpen, maar iets, wat daaraan slechts door mensen wordt toegekend. Uitgangspunt bij de bepaling van de legitimaire massa met het oog op erflaters giften dient te zijn: Hoeveel zou het erfdeel van een legitimaris geweest zijn, als de geschonken voorwerpen in de boedel gebleven zouden zijn?1
Voorts gaat Perrick in op de waarde in de ‘vrije’ verdeling van een nalatenschap. Hij stelt dat voor de waardering van de op het tijdstip van de verdeling in de boedel aanwezige goederen doorgaans wordt uitgegaan van de verkoopwaarde (waarde in het economische verkeer). Dit leidt volgens hem tot een verdeling, waardoor wordt recht gedaan aan de adagia ‘suum cuique tribuere’ (ieder het zijne geven) en ‘l'égalité est l'âme du partage’.2
De verkoopwaarde is volgens Perrick evenwel niet altijd het – enige – toegangspunt: de wijze waarop de toedelingen plaatsvinden, kan de waarde van de toedelingen namelijk mede bepalen. Ter illustratie geeft hij onder andere het voorbeeld van het tot een nalatenschap behorende meerderheidspakket aandelen in een N.V./B.V., waarbij de wijze waarop de toedeling plaatsvindt mede de waarde van de toegedeelde goederen bepaalt. Voor de ene erfgenaam kunnen zij een andere waarde hebben dan voor een andere erfgenaam.
Perrick vervolgt:
‘Wanneer de redelijkheid en billijkheid medebrengen, dat de boerderij waarop een zoon sinds jaren werkzaam is, aan hem wordt toegedeeld dan zal in de regel de waarde waarvoor hem de boerderij wordt toegedeeld lager zijn dan de waarde, die de boerderij voor de andere erfgenamen heeft.’
en:
‘Wanneer bij de verdeling tussen de moeder en de kinderen het redelijk en billijk is de moeder in staat te stellen de woning te blijven bewonen en te dien einde toe te delen aan de kinderen de woning en aan de moeder het levenslang recht de woning te huren alsmede een vordering wegens overbedeling dient bij de berekening van het bedrag daarvan de woning gewaardeerd te worden als in verhuurde staat.’3
In deze gevallen – zo betoogt Perrick – zal de verdeling de waarde van het toegescheidene mede bepalen. De redelijkheid en billijkheid hebben volgens hem geen betrekking op de waarde(ring); zij bepalen – slechts – op welke wijze de verdeling zal moeten plaatsvinden.4
Geabstraheerd van het positieve of negatieve effect van de toedeling op de waarde van het betrokken goed, wijkt de benadering van Perrick, zoals hij zelf ook constateert, af van die van de Hoge Raad en van andere schrijvers.5 Volgens Perrick spelen de redelijkheid en billijkheid uitsluitend een rol bij de vraag op welke wijze de verdeling dient plaats te vinden; voor de vraag ‘wie, wat dient te verkrijgen’. Als dát vaststaat, zal deze wijze mede bepalend zijn voor de waarde van de toegedeelde goederen, onder meer de persoon van de verkrijger (en diens omstandigheden) in aanmerking nemend. De eerste stap is de verdeling met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid; de tweede stap is de waardepaling waarbij moet worden gelet op alle factoren die de waarde voor de verkrijging door de desbetreffende deelgenoot – mede – bepalen. De Hoge Raad bereikt het resultaat – in de woorden van Perrick – in ‘een slag’ door de redelijkheid, die de deelgenoten jegens elkaar dienen te betrachten, mede te laten brengen om met alle factoren in laatstbedoelde zin rekening te houden.6 Ook Van Mourik past de redelijkheid en billijkheid ‘rechtstreeks’ op de waardering toe, en komt tot de definiëring van – zijn – rechtssfeerwaarde.7
Indien men aanneemt dat de verdeling (als meerzijdige rechtshandeling met verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke elementen) mede de bepaling van de waarde van het te verdelen vermogen alsmede de wijze van verdelen ‘omvat’, kan in de in de vorige alinea onderscheiden stappen een ‘kip en ei-vraagstuk’ worden onderkend.8 Wat was er immers eerder, de toedeling of de waardering? Ook kan men zich afvragen of de redelijkheid en billijkheid dan slechts zien op één element uit deze rechtshandeling, te weten de wijze van toedeling, en niet op de gehele verdeling. Ik kies voor het laatste.9 Het uiteindelijke resultaat zou naar mijn mening overigens niet afhankelijk mogen zijn van de voorgestane benadering: in één of twee slagen.
Tegen deze achtergrond is wellicht wel te verklaren waarom Perrick een door de erflater met zijn echtgenoot bewoond huis, bij toedeling aan de echtgenoot, waardeert als een huis dat bij verkoop leeg opgeleverd moet worden.10 De redelijkheid en billijkheid zouden tot toedeling aan die echtgenoot kunnen voeren. Met een waardering in bewoonde staat, volgens Perrick een leeg begrip, hebben deze beginselen niets te maken.11 De gedachten van Perrick doortrekkend heeft het aandeel in de woning voor de echtgenoot, als medeeigenaar, wellicht de hoogste waarde, de waarde in het economische verkeer. Maar zou dat dan ook niet op moeten gaan voor de waarde van de boerderij in het door hem hiervoor gegeven voorbeeld met de voortzettende zoon?12 Kortom, in de benadering van Perrick kan ik mij niet vinden. De waarde-afspraken maken mijns inziens een wezenlijk onderdeel van de verdeling als meerzijdige rechtshandeling uit, en daarop zijn de redelijkheid en billijkheid ‘rechtstreeks’ van toepassing.13
Met betrekking tot door de erflater ten aanzien van een bepaalde goederen aangegane overeenkomsten, die de in de verdeling verkrijgende erfgenaam volgen, moet bij de waardering van die goederen rekening worden gehouden. Te denken valt aan huur-, pacht- of stemovereenkomsten of anti-speculatiebedingen. Dat geldt volgens Perrick ook indien deze overeenkomst, bijvoorbeeld huur of pacht, met de desbetreffende verkrijgende erfgenaam is gesloten.14
In de als gevolg van een verhuring of verpachting door een erflater optredende waardevermindering, is als zodanig volgens Perrick overigens geen gift gelegen, ook niet indien de huurder of pachter als legitimaris een toekomstige erfgenaam van de erflater is en de redelijkheid en billijkheid tot toedeling van het desbetreffende goed aan hem verplichten. De omstandigheden waaronder en de ‘toeleg’ waarmee de verhuring of verpachting is geschied, kunnen er evenwel toe leiden dat de daarin gelegen bevoordeling voor de legitiemeregeling als een gift wordt aangemerkt.15