Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.2.2
6.5.2.2 Het niet voldoen aan de vorm; nietigheid en non-existentie
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS296965:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hijma 1988, p. 118-119.
Hijma 1998, p. 119.
Breedveld-de Voogd 2007, p. 34.
Hijma 1988, p. 119-120.
Breedveld-de Voogd vraagt zich in dit verband af of onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen de door haar aangeduide absolute vormvoorschriften en vormvoorschriften die slechts zijn geschreven met het oog op een bepaald doel (Breedveld-de Voogd 2007, p. 35). Zij werkt dit vervolgens uit en komt uiteindelijk, althans voor wat betreft art. 7:2 BW, uit op nietigheid dan wel vernietigbaarheid en lijkt de gedachte van non-existentie te verwerpen.
Ik verwijs kortheidshalve naar het proefschrift van Breedveld-de Voogd (Breedveld-de Voogd 2007).
Vgl. Breedveld-de Voogd 2007, p. 49 en p. 50 en de daar aangehaalde literatuur.
In verband met het rechtsgevolg van het niet voldoen aan een (wettelijk) voorgeschreven vorm zij overigens gewezen op het door Hijma opgeworpen verschil tussen nietigheid en non-existentie.1 Hijma wijst op dit verschil, maar verwerpt de non-existentie die aan de daad op voorhand elke werking (als rechtshandeling) ontzegt op grond van de principiële redenering dat in het recht bepaalde gegevens niet bij voorbaat kunnen of moeten worden weggewerkt. Hijma schrijft hierover:2
"Als een beschikkingsdaad is gesteld, blijft de aard van deze gedraging een gegeven als alle andere, waaraan — gelijk aan ieder feit — al dan niet het intreden van rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. De leer der non-existentie, die aan de daad op voorhand elke werking — als rechtshandeling ontzegt, dient op deze principiële grond over de gehele linie te worden verworpen. Ligt een beschikkingsdaad — een rechtshandeling — voor, dan kan nimmer bij voorbaat, doch slechts langs de weg van een juridische afweging tot de conclusie worden geraakt dat zij 'haar' rechtsgevolg (geheel of ten dele) ontbeert."
Volgens Breedveld-de Voogd schuilt hierin een cirkelredenering.3 De leer van de non-existentie, zo stelt zij, draait nu juist om de vraag óf iets wel een rechtshandeling of — zoals gedefinieerd door Hijma — een beschikkingsdaad is. Want is het dat niet, dan heeft het niet de rechtsgevolgen van een rechtshandeling. Dit wordt, aldus nog steeds Breedveld-de Voogd, door Hijma ook onderkend daar waar hij opmerkt:4
"De werking-als-rechtshandeling komt vanzelfsprekend aan haar grens, waar niet langer van een rechtshandeling kan worden gesproken. Maar daar gaat het hier niet om. Zeker zijn er talloze handelingen die niet als rechtshandelingen zijn te betitelen omdat zij het in hfdst. 3 geschetste beschikkingskarakter missen."5
Het voert in het kader van het thema van dit boek te ver om deze problematiek uitputtend te behandelen6, maar ik volsta ermee om in het algemeen met Breedveldde Voogd te concluderen dat, zolang aan de wettelijk voorgeschreven of contractueel overeengekomen vorm niet is voldaan, er sprake is van nietigheid dan wel, indien het geschonden voorschrift uitsluitend het belang van één der partijen beoogt te beschermen, van vernietigbaarheid als "sanctie". Zo zal de sanctie op het overtreden van het vormvoorschrift afhangen van de strekking (de ratio) van het vormvoorschrift.7 Bij bedongen vormvoorschriften als waarop dit boek het oog heeft, zal, gezien de ratio van dergelijke vormvoorschriften (waarop ik in het hierna volgende nog uitvoerig terug kom), niet snel van het geval sprake zijn dat het vormvoorschrift beoogt de belangen van slechts één van de onderhandelende partijen te beschermen, zodat zich ook niet snel de variant van vernietigbaarheid zal voordoen waarbij slechts de partij die door het vormvoorschrift wordt beschermd, de keuze wordt gelaten of hij zich op het ontbreken daarvan wil beroepen.
Vormvereisten in enge zin vallen eenduidig binnen de categorie I-voorbehouden. Partijen zouden echter, zoals hiervoor al aangeduid, ook kunnen overeenkomen dat tussen hen pas een overeenkomst kan bestaan indien een derde daaraan zijn goedkeuring geeft. Alsdan betreft de afgesproken of zo men wil: voorgeschreven vorm niet de wijze waarop de wil tot het verrichten van een rechtshandeling wordt geuit (en is het intreden van de voorwaarde in die zin niet uiteindelijk afhankelijk van de wil van de onderhandelende partijen), maar is tussen partijen afgesproken dat de vorm waaraan dient te zijn voldaan, bestaat uit het verrichten van een bepaalde handeling (bijv. het verlenen van goedkeuring) door een derde. Dergelijke vormvoorschriften duid ik in dit boek, zoals aangegeven, aan als vormvoorschriften in ruime zin. Het is duidelijk dat de categorie II en categorie IIIvoorbehouden als zodanig zouden kunnen kwalificeren.