Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.7.1.2
4.7.1.2 Knelpunten en verbetermogelijkheden in de criteria van het dispositievereiste en het niet-kenbaarheidsvereiste
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661308:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
BNB 2020/120, r.o. 2.3.1 en HR 9 april 2020, nr. 19/03791, BNB 2021/95, r.o. 3.3.
BNB 2022/10, r.o. 4.2.3 over inbreuken op het vertrouwensbeginsel, hetgeen een zelfstandig belang aangeeft. Zie ook Nicolai 1990, p. 366; Van der Grinten in AB 2003/265, punt 5 en 6. Zie ook Kortmann 2018, par. 1.3, die aan de hand van diverse voorbeelden inzichtelijk maakt dat trouw aan het gegeven woord zelf een belang creëert bij nakoming ervan, ongeacht of betrokkenen wel of geen schade lijden bij schending ervan. Zie ook Geppaart 1969, p. 90; Schlössels 2013b over de (niet)afkoopbaarheid van gewekt vertrouwen.
Van de Sande 2019, par. 4.7.5 ; Nicolai 1990, p. 315.
Van der Grinten in AB 2003/265, punt 5 en 6, betoogt dat het uitgangspunt dat in de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters ten grondslag ligt aan het vertrouwensbeginsel tot uitdrukking brengt dat aan het honoreren van door de overheid jegens de burger gewekte verwachtingen een op zichzelf staand en rechtens te respecteren belang toekomt. Hij meent dat het stellen van het dispositievereiste als noodzakelijke voorwaarde niet past in dit uitgangspunt. Mijns inziens kan de omstandigheid van disponeren wel een relevante rol spelen bij de rechtsgevolgen bij toepassing van het vertrouwensbeginsel (paragraaf 7.5).
De factoren die worden meegewogen (en op welke wijze) zijn – zo laat de rechtspraak zien – afhankelijk van het geval (‘casuïstisch’). Dat maakt toetsing aan het criterium weliswaar flexibel, maar ook relatief onvoorspelbaar en onduidelijk.
Zie paragraaf 4.3.3 met voorbeelden uit de jurisprudentie waarin het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds faalt op het dispositievereiste.
Specifiek ten aanzien van de twee criteria die bij de huidige methode van toepassing van het vertrouwensbeginsel relevant zijn, verdient het volgende aandacht.
Ik acht het dispositievereiste een onhoudbaar criterium als noodzakelijkevoorwaarde voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Dan doel ik hier niet zozeer op het feit dat het in de rechtspraak een veelal onhaalbaar criterium voor rechtszoekenden blijkt; dat hangt immers samen met de wenselijkheid van de beschermende werking van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting als zodanig. Hier gaat het om een methodologisch bezwaar. Het dispositievereiste is een inconsistent en onjuist criterium als voorwaarde voor toepassing van het vertrouwensbeginsel (zie paragraaf 4.3.4). Het stellen van het dispositievereiste als voorwaarde voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de Hoge Raad de toepassing van het vertrouwensbeginsel niet afhankelijk stelt van de vraag of de belastingplichtige zich in redelijkheid op de gewekte verwachtingen mag beroepen (zoals bij toezeggingen of andere uitlatingen1), maar van de vraag of de belastingplichtige vervolgens iets heeft gedaan of nagelaten. Dat doet geen recht aan doel en strekking van het vertrouwensbeginsel. Echter, voor de redelijkheid van het gewekte vertrouwen moet worden gekeken naar aard van het gewekte vertrouwen (vertrouwenwekkende uiting, moment 1) en niet naar het gevolg (nadeliger positie, moment 2) (zie paragraaf 4.3.4.4 en 4.3.4.5). Dat de burger die afgaat op onjuiste voorlichting in een nadeligere positie raakt, is weliswaar een omstandigheid die relevant moet zijn voor het bepalen van het rechtsgevolg (stap 2), maar daar gaat een beoordeling aan vooraf van de vraag of de verwachtingen van de burger op zichzelf zodanig zijn dat zij voor bescherming in aanmerking komen (stap 1). De redelijkheid van zijn verwachtingen kan uiteraard niet afhangen van wat die burger op grond van de gewekte verwachtingen heeft gedaan.
Bovendien komt aan bescherming van door de overheid (Belastingdienst) gewekte verwachtingen een op zichzelf staand en rechtens te respecteren belang toe.2 De burger heeft een gerechtvaardigd belang bij nakoming, ongeacht of de verwachtingen effect hadden op zijn gedrag. De grondslag voor erkenning van de aanspraak van de burger op honorering van zijn gewekte verwachtingen ligt in het rechtszekerheidsbeginsel.3 Nakoming van gerechtvaardigde verwachtingen is geen ‘luxeproduct’, maar een op zichzelf staand belang in het recht. Bij dat uitgangspunt is het – zo ben ik met Van der Grinten eens – niet juist om het dispositievereiste als noodzakelijke voorwaarde te stellen.4 Ik acht het daarmee zelfs in strijd.
In de tweede plaats zijn aan het criterium van het niet-kenbaarheidsvereiste knelpunten verbonden (zie paragraaf 4.3.3). Kenbaarheid van een onjuistheid lijkt een binaire kwestie, maar is het niet.5 Bovendien volgt uit de jurisprudentie dat dit criterium in de voorlichtingsjurisprudentie van de afgelopen decennia maar een beperkte – en vaak zelfs geen enkele – rol speelt.6 Het cumulatieve karakter van de criteria in de huidige methode heeft tot gevolg dat als een vertrouwensberoep faalt vanwege het dispositievereiste, de eventuele onkenbaarheid van de onjuistheid in de uiting irrelevant is geraakt. Ik acht dat onbevredigend (paragraaf 4.3.3.2).
Verbeteringsmogelijkheden
Ook hier rijst de vraag: kan het binnen het huidige systeem methodologisch anders en kan dat een verbetering opleveren? Een relatief rigoureuze en voor de hand liggende oplossing is om het dispositievereiste bij algemene voorlichting en inlichtingen als voorwaarde los te laten. Daarmee zijn methodologische bezwaren tegen deze eis verholpen. In zoverre zie ik dat als wenselijk. Wel ontstaat bij het eenvoudigweg loslaten van het dispositievereiste als noodzakelijke voorwaarde een nieuw probleem. De koers in de voorlichtingsjurisprudentie wordt dan (ceteris paribus): Nee, tenzij, waarbij tenzij (alléén) het niet-kenbaarheidsvereiste zou inhouden. Echter, dat zou effectief een koers opleveren die een ruimere bescherming biedt dan die bij beleidsregels en toezeggingen. Dat schiet door naar het andere uiterste. Deze oplossing is te ongenuanceerd. Binnen het huidige systeem met cumulatieve criteria kan dus niet simpelweg een criterium worden losgelaten (of vervangen door een ander criterium) zonder daaraan voorafgaande herijking van de koers als zodanig (paragraaf 4.7.3).