Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.3.2.4
5.3.2.4 Ongedwongen tussenkomst?
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931111:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Folter 2001, p. 5; De Folter 2009/8; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/37; J.S. Kortmann 2019, p. 50 e.v. Vgl. Hollander 1929, p. 58-59; De Folter 1996, p. 44.
§ 72 e.v. Zivillprozessordnung.
§ 74 (1) Zivillprozessordnung.
§ 74 (3) jo. 68 Zivillprozessordnung.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/37; J.S. Kortmann 2019, p. 53 e.v.
J.S. Kortmann 2019, p. 53-54.
J.S. Kortmann 2019, p. 53-54.
Vgl. J.S. Kortmann 2019, p. 54, die schrijft dat “[d]e Duitse rechtspraktijk laat zien, dat ontvangers van Streitverkündungen er veelal voor kiezen om (vooralsnog) niet te verschijnen in de hoofdzaak, maar om op de achtergrond wel bijstand te verlenen”.
Zie hiervoor, nr. 238.
239. Litis denuntiatio (of Streitverkündung)? In de literatuur is nog een andere mogelijkheid geopperd, namelijk de ‘procesaankondiging’ of ‘ongedwongen tussenkomst’.1 Daarbij gaat het om de mogelijkheid die bijvoorbeeld het Duitse recht kent om een niet in een procedure betrokken partij in kennis te stellen van die procedure, door middel van een zogeheten Streitverkündung.2 Daarbij wordt – anders dan bij art. 118 Rv – de derde niet door oproeping partij in het geding, maar staat het de derde vrij om al dan niet in het geding te verschijnen. Men zou deze mogelijkheid kunnen zien als een uitnodiging tot voeging. Verschijnt de derde in het geding, dan geldt hij als gevoegde partij;3 verschijnt hij niet, dan is hij geen partij, maar kan hij zich niet meer beroepen op het onvoldoende voeren van verweer door de gedaagde.4 Met name Van Schaick en Kortmann hebben zich er voorstander van getoond een dergelijke mogelijkheid ook in het Nederlandse recht op te nemen.5
Een dergelijke mogelijkheid heeft – net als de oproeping op de voet van art. 118 Rv – voor de in de hoofdzaak betrokken gedaagde(n) als voordeel dat de ‘derde’ zich niet langer afzijdig kan houden, en zich tegenover hem (of hen) niet kan beroepen op het onvoldoende voeren van verweer.6 Tegelijkertijd heeft zij niet het nadeel dat de eiser in de hoofdzaak zonder meer wordt geconfronteerd met een extra procespartij.7 De kans dat de derde zich in de hoofdzaak wenst te voegen wordt door de procesaankondiging uiteraard wordt vergroot.8 De weg van de ‘procesaankondiging’ vormt een subtiele tussenweg tussen de oproeping in de hoofdzaak op de voet van art. 118 Rv en de (enkele) oproeping in vrijwaring. Om die reden zou de invoering van een procesaankondiging ook wat mij betreft een goed alternatief zijn, zeker indien men – zoals lagere rechters thans doen9 – gedaagden niet toestaat om beweerdelijk hoofdelijk medeschuldenaren op de voet van art. 118 Rv in de hoofdzaak te betrekken. Naar geldend recht bestaat een dergelijke mogelijkheid echter niet.