Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/7.3.2
7.3.2 Herziening en internationale export (1998-2006)
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385822:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin A.J. Dignam, ‘Lamenting Reform? The Changing Nature of Common Law Corporate Governance Regulation, working paper 2007, te raadplegen op
Zie Giddens 1998 voor de intellectuele onderbouwing.
Opgetekend in diens autobiografie P. Mandelson, The Third Man: life at the heart of New Labour, London: Harper Press 2010, p. 265. Mandelson deed deze uitlating tijdens een bezoek aan Silicon Valley in Amerika in antwoord op een vraag van de toenmalige CEO van Hewlett Packard. In zijn autobiografie beklaagt Mandelson zich over het feit dat de toevoeging “as long as they pay their taxes” in latere weergaven van zijn uitspraak door anderen vaak werd weggelaten.
Rickford 2002a, p. 325. Ironisch genoeg zou Beckett bij de eerste ‘cabinet reshuffle’ in de zomer van 1998 al worden vervangen als minister van handel en industrie omdat zij volgens premier Blair onvoldoende prioriteit zou hebben gegeven aan het revitaliseren van de Britse economie. Zie Mandelson 2010, p. 261.
Rickford 2002a, p. 325.
Ibid.
Zie voor een samenvatting Rickford 2002a en Rickford 2002b.
De reden dat de Companies Act 2006 gefaseerd moest worden ingevoerd is gelegen inhet feit dat het wetgevingsprogramma in het Britse parlement telkens per jaar wordt vastgesteld (de zogeheten ‘sessions of Parliament’) waarbij de concrete wetgevingsinitiatieven telkens in de ‘Queen’s Speech’ bij de ‘State Opening’ worden aangekondigd. Wetgevingstrajecten die niet binnen een bepaalde session of Parliament worden afgerond komen bij het einde van de session automatisch te vervallen. Dit noopt tot het opdelen van grote wetgevingstrajecten in kleinere stukken die telkens binnen een bepaalde session kunnen worden ingevoerd.
Zie de algemene overweging die de Steering Group met betrekking tot het doel van het ondernemingsrecht had geformuleerd: “[W]e regard the role of company law as to facilitate the exercise of effective business choices so as to maximise wealth and welfare, not only for participants, but for all affected by the operation of companies. In most circumstances, the best way of achieving this is to provide the means, and in particular the necessary information, for choices to be exercised and effective commercial relations estalbished in a market economy, without public intervention. However, such intervention may be necessary to preserve standards and secure the interests of those with economic relationships with the company and the interests of the wider community.” Opgenomen in The Company Law Review Steering Group, Modern Company Law for a Competitive Economy – Developing the Framework, consultation document on company law reform no. 5, maart 2000, nr. 2.4.
Ibid, nr. 2.7.
Zie voor een uitleg van deze overwegingen voor een continentaal-Europees publiek Rickford 2002a, p. 329-330.
CLR Developing the Framework 2000, nr. 2.19.
Rickford 2002a, p. 329-330.
Illustratief is CLR Developing the Framework 2000, nr. 2.21: “It may be asked whether this proposal overall is an ‘enlightened shareholder value’ or a ‘pluralist’ one. The overall objective should be pluralist in the sense that companies should be run in a way which maximises overall competitiveness and wealth and welfare for all. But the means which company law deploys for achieving this objective must take account of the realities and dynamics which operate in practice in the running of commercial enterprise. It shouild not be done at the expense of turning company directors from business decision makers into moral, political or economic arbiters, but by harnessing focused, comprehensive, competitive business decision making within robust, objective professional standards and flexible, but pertinent accountability.”
De ontwerpteksten van de Steering Group spraken nog van “taking account of both the short and the long term consequences of his acts”. Zie CLR Developing the Framework 2000, nr. 3.40 onder 1(b). In de uiteindelijke tekst van de CA 2006 (section 172 lid 1 onder a) wordt alleen gesproken over “the likely consequences of any decision in the long term”.
Ook op dit punt wijkt de uiteindelijke tekst van de CA 2006 (section 172 lid 1 onder b) af van het oorspronkelijke voorstel van de Steering Group (CLR Developing the Framework 2000, nr. 3.40 onder 1(c)aa). In het voorstel van de Steering Group werden werknemers op ÉÉn lijn gesteld met andere partijen waarmee de onderneming lange termijn relaties moest onderhouden, in de CA 2006 zijn de belangen van werknemers afzonderlijk als in acht te nemen factor benoemd.
Elders in de Company Law Review stelde de Steering Group in navolging van een advies van de Law Commission uit 1997 voor om een wettelijke regeling voor een afgeleide actie voor aandeelhouders in te voeren. De ratio hiervoor was dat het op grond van de common law voor aandeelhouders in veel gevallen niet mogelijk was om namens de vennootschap een vordering in te stellen tegen een director op de grond van een schending van diens fiduciary duties tegen de vennootschap. Uiteindelijk is een dergelijke afgeleide actie in section 260 CA 2006 ingevoerd. Zie over deze figuur Davies/Worthington 2012, nrs. 17- 12 t/m 17-26.
CLR Developing the Framework 2000, nr. 2.19.
Dignam 2007, p. 13-16.
Zie W. Hutton, How Good We Can Be, London: Little, Brown 2015, p. 125-126.
Hierover R. Taylor, ‘Industrial Relations: Regulation against Voluntarism’, in D. Marquand & A. Seldon (reds.), The ideas that shaped post war Britain, London: Fontana Press 1996, p. 88-121.
D. Higgs, Review of the role and effectiveness of non-executive directors, rapport in opdracht van DTI, januari 2003, te raadplegen via
Davies/Worthington 2012, nr. 28-4.
Over het revolving door-effect bij de FSA gaat B. Masters, ‘Enter the Revolving Regulators’, Financial Times 23 april 2012.
Davies/Worthington 2012, nr. 3-8.
P.A. Myners, Institutional Investment in the United Kingdom: A Review, rapport in opdracht van HM Treasury van 6 maart 2001, te raadplegen via <https://webarchive.nationalarchives.gov.uk>. Het doel van het Myners Report was overigens niet om het gedrag van institutionele beleggers in hun hoedanigheid van aandeelhouder in Britse beursondernemingen te onderzoeken, maar om in meer algemene zin het proces van investeringsbeslissingen en allocatie van beschikbare middelen over verschillende soorten investeringen te onderzoeken.
Myners Report 2001, nrs. 5.79-5.94.
Myners was zeer gecharmeerd van het door de Cadbury Committee ontwikkelde code- instrument: “Further change is needed. My strong preference, however, is for the industry – if it is willing – to drive change forward itself. Legislation, though it might in the end prove necessary, is likely to be a blunt instrument to tackle the kinds of problem I have described. The review therefore believes it is important at least to attempt to seek an effective approach which does not rely on direct Government intervention in banning or directly determining behaviour. The approach I have in mind is consciously based on the precedent of the Combined Code of the Committee on Corporate Governance and the various codes that preceded it. Such codes can be (and have been) criticised, for lacking teeth. In fact I believe history suggests otherwise. The voluntarist approach, allied with transparency, may not appeal to the purist. It cannot deliver perfection. Nevertheless, corporate governance practices in this country are unrecognisable from the pre- Cadbury world. On any reasonable
Ibid, nrs. 5.89-5.92.
The Company Law Review Steering Group, Modern Company Law for a Competitive Economy – Final Report, juli 2001, nr. 3.54.
B.R. Cheffins, ‘The Stewardship Code’s Achilles Heel’, working paper juli 2010, te raadplegen via
Zie voor een voorbeeld M. Becht, J.R. Franks, C. Mayer & S. Rossi, ‘Returns to shareholder activism’, in W.W. Bratton & J.A. McCahery (reds.), Institutional Investor Activism, Oxford: Oxford University Press 2015, p. 223-260 (origineel gepubliceerd in Review of Financial Studies 2009).
Zie in Nederland bijvoorbeeld Van Welzen 1993 en Calkoen 1994. Zie in meer algemene zin over dit fenomeen B.R. Cheffins, ‘Corporate Governance Reform: Britain as an Exporter’, working paper december 1999, te raadplegen via
Zie Rickford 2002a, Rickford 2002b en Rickford 2003 en het door Rickford gecoördineerde onderzoeksproject dat uitmondde in de bundel Rickford et al. 2003.
Kraakman et al. 2004.
J.M. Mendoza, ‘Securities regulation in low-tier listing venues: the rise of the alternative investment market’, Fordham Journal of Corporate and Financial Law 2008, p. 257-328.
E. Ferran, ‘The Break-up of the Financial Services Authority’, working paper november 2010, te raadplegen op
Zie A. Turner, The Turner Review: a regulatory response to the global banking crisis, onderzoek in opdracht van het Britse Minsterie van Financiën, maart 2009, bron:
In 1997 won Tony Blair de Britse verkiezingen met een verkiezingsprogramma dat met ‘New Labour’ werd aangeduid. Blair was de eerste Labour-premier van het Verenigd Koninkrijk sinds Callaghan (premier van 1976 tot 1979). In de begindagen was er twijfel over de houding die de nieuwe Labour regering zou innemen tegenover het Britse bedrijfsleven, in het bijzonder wat betreft de ruimte die het bedrijfsleven onder de conservatieve regeringen van Thatcher en Major had gekregen om via zelfregulering zoals de UK Combined Code en de Takeover Code in eigen spelregels met eigen handhaving te voorzien. Aanvankelijk waren er inderdaad signalen dat de regering voornemens was om het beursvennootschappen voor regulering op het gebied van corporate governance naar zich toe te trekken.1 De leiders van New Labour, naast Blair voornamelijk Brown en Mandelson, stond echter een andere verhouding tussen overheid en bedrijfsleven voor ogen dan de radicale koers van het Labour uit de oppositiejaren. Het programma van New Labour was gebaseerd op het in hoofdstuk 3 al genoemde concept van de ‘Third Way’2 waarin de overheid niet zozeer aanstuurt op herverdeling van private inkomsten via het actief aansturen dan wel beteugelen van het bedrijfsleven, maar in plaats daarvan het bedrijfsleven juist stimuleert en faciliteert om zo via een toename in belastinginkomsten het netwerk van uitgebreide sociale voorzieningen te bekostigen. Deze strategie was richting het bedrijfsleven niet gericht op interventie van overheidswege, maar op het gebruik maken van of zelfs actief aanmoedigen van marktoplossingen en het accepteren van de uitkomsten ervan. Illustratief voor deze nieuwe houding is de uitspraak van Mandelson, op dat moment minister van handel en industrie, uit 1998 in antwoord op een vraag of de regering anti-succes was: “We are intensely relaxed about people becoming filthy rich, as long as they pay their taxes.”3
De Britse regering onder Blair zette vanuit het New Labour-programma in op een modernisering van het Britse ondernemingsrecht. In maart 1998 lanceerde minister van handel en industrie Beckett onder de titel ‘Modern Company Law for a Competitive Economy’ het grootschalige Company Law Review project.4 De review zou in opdracht van het ministerie van handel en industrie (‘department of trade and industry’ ofwel DTI) worden uitgevoerd door de ‘Company Law Review Steering Group’, een interdisciplinaire en onafhankelijk groep experts onder leiding van een fulltime projectmanager, de reeds in §5.3.1 hiervoor genoemde Rickford. Doel van de Review was om te komen tot een integrale herbeoordeling en waar nodig herziening van het bestaande bestel van het Britse ondernemingsrecht in de volle breedte. Het betrof in het bijzonder de bestaande ondernemingsrechtelijke wetgeving, dat wil zeggen de Companies Act in de versie van 1985 en verschillende samenhangende wetten, die volgens de DTI “over complex, convoluted and inaccessible in structure and style, over formal, outdated in parts, excessively detailed and over-regulatory” was.5 De Steering Group kreeg de opdracht om voorstellen te doen voor “a framework of law which promotes the competitiveness of British companies, strikes a proper balance between the interests of those concerned with companies, in the context of straightforward, cost-effective and fair regulation, and promotes consistency, predictability and transparency in the law.”6 De Steering Group zou tussen februari 1999 en juli 2001 naast verschillende deelstudies vier uitgebreide consultatierapporten publiceren waarin niet alleen aanbevelingen op hoofdlijnen, maar ook gedetailleerde wetsvoorstellen waren opgenomen.7 Het werk van de Steering Group vormde de basis voor de Companies Act 2006 die in de jaren erna ontwikkeld zou worden en uiteindelijk in de periode tussen 2006 en 2009 gefaseerd zou worden ingevoerd.8
Een van de fundamentele vragen waar de Steering Group zich over moest buigen was de vraag of de historisch gegroeide juridische doeloriëntatie van ondernemingen op de belangen van hun members/aandeelhouders in de huidige tijd nog het juiste middel was om te komen tot optimale randvoorwaarden voor creatie van economische en maatschappelijke waarde.9 Meer specifiek was de vraag of het ondernemingsrecht directors niet expliciet zou moeten toestaan – of zelfs zou moeten verplichten – om zich niet enkel naar de belangen van de aandeelhouders te richten, maar ook naar belangen van andere stakeholders zoals werknemers en zakenrelaties of naar een breder publiek belang.10 De Steering Group kwam op dit punt uiteindelijk tot een gebalanceerd voorstel dat op drie pijlers berustte.
Als eerste pijler zou de doelstelling van de onderneming – en daarmee de ‘fiduciary duties’ van haar directors – in juridische zin primair op de belangen van de aandeelhouders gericht blijven. De Steering Group stelde voor om dit ook expliciet in de wet vast te leggen zodat duidelijk was dat de fiduciary duties weliswaar in relatie tot de vennootschap golden, maar dat zij uiteindelijk op “the success of the company for the benefit of its members” waren gericht. Het alternatief waarbij de belangen van andere stakeholders op gelijke hoogte met die van de aandeelhouders geplaatst zouden worden werd door de Steering Group als onwerkbaar van de hand gewezen omdat hiervoor geen effectief systeem van verantwoording en controle mogelijk was.11 Om dezelfde reden stelde de Steering Group voor om ook het concept van ‘shareholder control’ waarbij aandeelhouders via het recht van benoeming en ontslag van directors en de rechten van instructie en statutenwijziging de uiteindelijke controle over de onderneming hebben te handhaven. Dit voorstel is uiteindelijk ingevoerd in section 172 CA 2006.
De tweede pijler bestond erin dat de belangen van andere stakeholders (‘other constituencies’) expliciet zouden worden opgenomen in de wettelijke omschrijving van de ‘fiduciary duty of loyalty’.12 Hiermee beoogde de Steering Group de overtuiging tot uitdrukking te brengen dat voor het effectief behartigen van de belangen van de aandeelhouders ook vereist is dat zorgvuldig met de belangen van bepaalde andere groepen stakeholders wordt omgegaan. De Steering Group gaf op dit punt een nieuwe invulling aan het welbegrepen eigen belang van aandeelhouders, een concept dat werd aangeduid als ‘enlightened shareholder value’.13 Met dit concept kon de normatieve en juridische oriëntatie op de belangen van aandeelhouders worden behouden.14 Directors zouden gehouden zijn om zich bij de vervulling van hun taken te richten naar de belangen van de aandeelhouders, maar zij zouden in dat kader wel aandacht moeten besteden (“have regard to”) aan bepaalde factoren zoals de waarschijnlijke gevolgen van een ondernemingsbeslissing op de korte en de lange termijn,15 de noodzaak voor een onderneming om bestendige relaties met zakenpartners te vestigen en te onderhouden en de belangen van de werknemers van de onderneming.16 Ook dit voorstel is overgenomen in section 172 CA 2006, zij het in aangepaste vorm.
De derde pijler had betrekking op de wijze van toezicht en handhaving ten aanzien van de wijze waarop ondernemingen met de belangen van hun stakeholders omgingen. Zoals hiervoor al is opgemerkt koos de Steering Group er voor om het concept van shareholder control in stand te laten. Het zouden dus uiteindelijk de aandeelhouders zijn die gebruikmakend van hun rechten al dan niet consequenties zouden kunnen verbinden aan de wijze waarop directors invulling hadden gegeven aan hun taak om te streven naar ‘enlightened shareholder value’.17 Ter verbetering van het functioneren van dit controlemechanisme stelde de Steering Group voor om voor beursvennootschappen een flankerende transparantieverplichting in te voeren op grond waarvan ondernemingen in hun jaarverslag een ‘Operating and Financial Review’ (OFR) zouden moeten opnemen.18 In de OFR zou de board van de betreffende onderneming jaarlijks onder meer een beschrijving van de verhouding met de werknemers en zakenrelaties en de impact van de activiteiten van de onderneming op het milieu en op de maatschappij moeten geven. In zaken van publiek belang zou de overheid bovendien aanwijzingen aan ondernemingen kunnen geven om de OFR met bepaalde gegevens aan te vullen indien de oorspronkelijke OFR niet afdoende zou worden geacht. De strekking van de OFR was om enerzijds ondernemingen de markt over stakeholder-aangelegenheden te laten informeren en anderzijds om via het proces van verplichte openbaarmaking ook de aandacht van de board nadrukkelijk op deze aangelegenheden te vestigen.19 Uiteindelijk heeft de Labour regering (in de derde termijn van Blair) in 2005 besloten om niet tot invoering van een wettelijk verplichte OFR over te gaan.
Volgens de politiek commentator Hutton was de reden voor de uiteindelijke afwijzing van de OFR, ondanks parlementaire steun voor het ontwerp, gelegen in een wens van Blair en Brown om niet als anti-business gezien te worden. Zo had Blair voor zijn laatste herverkiezing tot premier tot twee maal toe in de Queen’s Speech aangekondigd dat hij een wetsontwerp voor het gedeelte van de Companies Act met de OFR erin zou blokkeren. Volgens Hutton heeft Brown in 2005 zonder dit vooraf met het DTI af te stemmen in het openbaar aangekondigd dat de OFR zou worden geschrapt, iets wat hem – in een voor Britse begrippen vrij ongebruikelijke situatie – op openlijke kritiek van de hoogste ambtenaar van het departement kwam te staan. 20
Met de hierboven beschreven voorstellen voor de inbedding van stakeholdersbelangen in het Britse ondernemingsrecht bleef de Steering Group dicht bij de historisch gegroeide structuur van de Britse maatschappij in het algemeen en de Britse kapitaalvennootschap in het bijzonder. Dat de Steering Group bijvoorbeeld niet tot een aanbeveling voor een model van werknemersvertegenwoordiging in het bestel van corporate governance kwam is gelet op de traditioneel antagonistische systeem van arbeidsverhoudingen in het Verenigd Koninkrijk niet onlogisch.21 Door in plaats daarvan met betrekking tot stakeholders een combinatie van een ondergeschikte taakopdracht voor directors en een verantwoordingsplicht in de OFR in de context van het bestaande systeem van verantwoording en controle door aandeelhouders voor te stellen, stuurde de Steering Group in wezen aan op een marktoplossing binnen de bestaande kaders van het rechtssysteem. Daarmee pleitte de Steering Group voor een systeem van gedragsnormen en verantwoordingsplichten dat een zekere gelijkenis met het mechanisme van de UK Combined Code voor normen van goed ondernemingsbestuur vertoonde. Door het besluit van de Labour-regering om de eerste twee pijlers van het voorstel van de Steering Group in te voeren maar om af te zien van de invoering van de OFR werd evenwel een informatiecomponent die mede richting had moeten geven aan deze marktoplossing uit het systeem gehaald. Het is de vraag in hoeverre de effectiviteit van het door de Steering Group voorziene regeling die uiteindelijk in section 172 CA 2006 is geïmplementeerd hiermee is ondergraven.
Ook op het punt van de Combined Code en de Takeover Code zou de Labour- regering de bestaande structuren intact laten. Zo kwam een door de regering geïnitieerde review van de Combined Code door Higgs in januari 2003 tot de conclusie dat de keuze van de Cadbury Committee om gedragsnormen voor goed ondernemingsbestuur via een code voor te schrijven in plaats van via wetgeving nog altijd de juiste was.22 Daarnaast zette de Britse regering er bij de onderhandelingen op Europees niveau over de nieuwe Overnamerichtlijn nadrukkelijk op in dat de flexibele wijze van functioneren van het Takeover Panel behouden zou kunnen blijven.23 Dit werd uiteindelijk bereikt door het Takeover Panel in section 942 CA 2006 aan te wijzen als de bevoegde autoriteit in het kader van de in de CA 2006 geïmplementeerde regels uit de Overnamerichtlijn. Tot slot werd ook bij de implementatie van Europese richtlijnen op het gebied van het financieel toezicht zoveel mogelijk gekozen voor inpassing binnen bestaande structuren. Zo werd in 2000 met de Financial Services and Markets Act (FSMA) de bevoegdheid tot het vaststellen van de Listing Rules overgeheveld van de London Stock Exchange naar de FSA. De FSA was ook het verantwoordelijke orgaan voor het uitoefenen van toezichtstaken op het gebied van prudentieel toezicht. Wat de institutionele vormgeving en inbedding betreft was FSA een zelfstandig bestuursorgaan en zij werd via boetes en verplichte bijdragen geheel uit private middelen gefinancierd. De bestuurders van de FSA werden benoemd en ontslagen door het Ministerie van Financiën, waarbij een belangrijk deel van de bestuurders uit de praktijk werd gerekruteerd en er – zeker op stafniveau – sprake was van een ‘revolving door’ effect tussen de FSA en het bedrijfsleven.24 De FSMA bevatte uitgebreide delegatiebepalingen op grond waarvan de FSA bevoegd was om zelf regelgeving op uiteenlopende terreinen vast te stellen.25 Met deze concentratie van toezichtstaken en gedelegeerde regelgevingsbevoegdheden bij een toezichthouder die qua institutionele opmaak en personele bezetting relatief nauw verbonden was met de sector op wie zij toezicht hield kon de traditie van regulering en handhaving in eigen kring in zekere zin worden voortgezet.
Het vasthouden aan het concept van ‘shareholder control’ in het bestel van corporate governance betekende dat aandeelhouders van Britse beursgenoteerde ondernemingen in normatief opzicht een sleutelrol hadden te vervullen. De aandeelhouders dienden immers controle uit te oefenen op de wijze waarop de directors invulling gaven aan hun fiduciary duties, ook wat betreft de in section 172 CA 2006 voorgeschreven omgang met de belangen van andere stakeholders. Ook was het aan de aandeelhouders om de directors via hun controlebevoegdheden af te rekenen op de gegeven verantwoording over de naleving van de Code. Tot slot hadden aandeelhouders op grond van de Takeover Code nog altijd de alles beslissende zeggenschap over de uitkomst van overnamepogingen rond Britse beursvennootschappen. In zoverre was het functioneren van het Britse model van corporate governance in belangrijke mate afhankelijk van het functioneren van de aandeelhouders van Britse beursondernemingen. Vanwege hun prominente positie in het aandeelhoudersbestand van Britse beursondernemingen, lag het voor de hand dat in het bijzonder de Britse institutionele beleggers op dit functioneren zouden worden aangesproken.
De rol van Britse institutionele beleggers in het bestel van corporate governance van Britse beursondernemingen kwam onder meer aan bod in het rapport Institutional Investment in the United Kingdom: A Review, dat in 2001 in opdracht van Minister van Financiën Brown door Myners werd opgesteld.26 Myners concludeerde in zijn rapport dat dat institutionele beleggers nog te weinig deden aan actief ‘engagement’ met de beursondernemingen waarin zij belegden en dat zij daarmee de belangen van hun eigen achterban (bijvoorbeeld pensioengerechtigden bij pensioenfondsen) tekort deden.27 Als oplossing voor het gebrek aan engagement door institutionele beleggers stelde Myners voor om pensioenfondsen bij wijze van code28 voor te houden om naar Amerikaans voorbeeld de verplichting tot actief aandeelhouderschap in beheersmandaten op te nemen.29 Ook de Steering Group benadrukte in haar eindrapport van de Company Law Review uit juli 2001 nog eens de centrale functie van institutionele beleggers in het bestel van governance. Actief aandeelhouderschap was volgens de Steering Group niet alleen van belang voor de institutionele beleggers zelf, maar was ook “a matter of corporate governance, impinging on the properly disciplined and competitive management of British business and industry.”30 In de jaren na het Myners Report was daadwerkelijk sprake van een toename van activisme vanuit aandeelhouders.31 Dit activisme werd voornamelijk gedreven vanuit gespecialiseerde fondsen van Britse pensioenbeheerders.32
Alles overziende was het Britse systeem van corporate governance in de jaren na de eeuwwisseling een model waar vanuit andere landen overwegend met bewondering naar werd gekeken. Zeker op het punt van de Cadbury Code mocht het Britse recht zich in het buitenland op bijzondere belangstelling verheugen.33 Ook het werk van de Steering Group in de Company Law Review werd internationaal uitgedragen, bijvoorbeeld via de publicaties in Nederland van Rickford34 en de participatie van Davies in het internationale ‘Anatomy of Corporate Law’ project.35 Ook de Britse financiële markten werden in internationaal verband als een succesverhaal gezien. De Londense beurs was mede vanwege het bieden van een aantrekkelijk regime onder de Listing Rules zeer succesvol in het binnenhalen van nieuwe beursnoteringen uit het binnenland en buitenland, ook voor kleinere ondernemingen via de aparte ‘Alternativ analysis, these codes have done their job. I believe it should be possible to apply a parallel approach to pension funds and other institutional investors, and that such an approach could be a proportionate response to the problems the review describes.” Zie Myners Report 2001, voorwoord p. 2-3.
Investment Market’ (AIM).36 De FSA kreeg als toezichthouder waardering vanuit het internationale bedrijfsleven vanwege haar toegankelijkheid, haar mate van responsiviteit ten aanzien van de behoeften van marktpartijen en haar “measured, non-enforcement approach to ensuring compliance.”37 De FSA was als ‘moderne’ toezichthouder primair op marktoplossingen georiënteerd.38 In de jaren vlak voor de financiële crisis zag het ernaar uit dat dit toezichtsmodel op korte termijn ook in andere landen navolging zou vinden. Zodoende was het beeld dat het Verenigd Koninkrijk de internationale – of in ieder geval de Europese – concurrentieslag als vestigingsplaats voor beursgenoteerde ondernemingen zou gaan winnen, zo niet al had gewonnen.