Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.2.2
7.2.2 Het disclosure statement in het planschade- en nadeelcompensatierecht
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701961:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4 keert in de nieuwe modelverordening nadeelcompensatie conform titel 4.5 Awb jo. afdeling 15.1 Omgevingswet niet als zelfstandige mogelijkheid terug. De nieuwe modelverordening is te raadplegen via de website van de VNG (https://vng.nl/brieven/vng-model-verordening-nadeelcompensatie-nieuw).
Van Ravels, O&A 2015/88, p. 166.
Zie ook: Van Ravels, O&A 2015/88, p. 166.
ABRvS 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1718.
De aanbesteding is gepubliceerd (online) d.d. 13 mei 2020 met TenderNed-kenmerk: 263848. De aanbestedingsdocumenten zijn online raadpleegbaar via: https://www.tenderned.nl/tenderned-tap/aankondigingen/194868. Zie met name Bijlage 9 ‘Format interessepeiling’.
Ook in het planschade- en nadeelcompensatierecht heeft het disclosure statement nog geen vaste plaats in de procedure.
Zoals ik al vermeldde in § 6.2.3, is het op grond van art. 4 van de modelverordening ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ van de VNG mogelijk dat het college van B en W van de deskundige verlangt dat deze – alvorens de benoeming – aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn. De bepaling komt in veel gemeentelijke procedureverordeningen voor. Op grond van de bepaling lijkt het opvragen van een vorm van ‘disclosure’ dus tot de mogelijkheden te behoren.1 Van Ravels signaleert echter terecht dat die mogelijkheid slechts als een bevoegdheid van het bevoegd gezag is geformuleerd.2 Dat is opmerkelijk. Met name omdat het voor een belanghebbende (en in een eventueel latere fase de rechter) minstens zo belangrijk is om inzicht te hebben in de opleiding en ervaring van de beoogde deskundige.3 Een belanghebbende die bij de Afdeling bestuursrechtspraak stelde dat het voor hem onvoldoende inzichtelijk was welke opleiding de ingeschakelde deskundige had genoten, kreeg echter te horen dat het aan hemzelf is om aannemelijk te maken er sprake zou zijn van onvoldoende deskundigheid.4 Daar leid ik uit af dat het hier wel degelijk een eenzijdige bestuurlijke bevoegdheid betreft. Ik ‘hoop’ dan maar dat de mogelijkheid tot het vragen van ‘disclosure’ omtrent opleiding en ervaring betrekking heeft op de persoon van de deskundige die daadwerkelijk adviseert en niet op de rechtspersoon of het samenwerkingsverband waarbinnen dat gebeurt. Alleen al omdat de meeste gemeenten werken met een planschadeadviesbureau dat via een aanbestedingsprocedure is geworven, dan wel werken met een vaste adviescommissie. In beide gevallen mag ervan worden uitgegaan dat er bij de gemeente voldoende inzicht is in de opleiding en ervaring van de adviesinstantie/commissie als geheel. Bovendien verdient een toetsing van de kwaliteit toegespitst op de concrete persoon van de deskundige altijd de voorkeur boven een toetsing van de kwaliteit van de rechtspersoon of het samenwerkingsverband waarvoor de deskundige werkzaam is (zie nader § 8.3.3.2). Tot slot valt het nog op dat op grond van art. 4 VNG-procedureverordening over de kwaliteitsaspecten onafhankelijkheid en onpartijdigheid in zijn geheel geen disclosure hoeft te worden geboden. Gelet op de meerwaarde van het ‘disclosure statement’ (§ 6.2.4) en het belang dat aan beide kwaliteitsaspecten toekomt (uitgebreid § 5.4 en § 5.5) is dat een gemis.
Onder aan de streep valt er dus het nodige aan te merken op de mogelijkheden die art. 4 van de VNG-procedureverordening biedt. In de planschadepraktijk wordt dan ook geen gebruik gemaakt van het ‘disclosure statement’ zoals door mij voorgestaan in § 6.2.5. Dat wil zeggen, de overlegging aan alle procesactoren van een vooraf ingevulde verklaring waarop de deskundige inzicht geeft in diens deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Daar is overigens wel ruimte voor in de procedure. Net als de onteigeningsdeskundige, wordt immers ook de beoogde planschadeadviseur in beginsel twee weken aan partijen ‘voorgehangen’ (art. 5 lid 2 VNG-procedureverordening). Het disclosure statement zou mijns inziens een vast onderdeel kunnen uitmaken van de voorhangprocedure in het planschaderecht.
In de nadeelcompensatiepraktijk van RWS – op grond van de Beleidsregel I&W 2019 – voltrekt zich een voorzichtige vorm van disclosure. Krachtens art. 15 lid 5 Beleidsregel I&W 2019 geldt ook hier een voorhangprocedure. Als onderdeel van deze voorhangprocedure wordt niet alleen melding gemaakt van de namen van deskundigen die RWS voornemens is te benoemen, maar ook van hun beroep en de plaats waar zij hun werkzaamheden verrichten. Dat is al uitgebreider dan de voorhangprocedure in de gemeentelijke planschadepraktijk. Daarnaast dienen de voorzitters dan wel enige leden van de adviescommissie die naar aanleiding van de aanbestedingsprocedure (§ 2.3.5.1) partij zijn bij de raamovereenkomst voorafgaand aan de daadwerkelijke opdrachtverlening via een interessepeiling kenbaar maken of zij voldoende onafhankelijk zijn.5 Dikwijls is het op dat moment nog niet duidelijk wie de verzoeker/verzoekers is/zijn. De ‘disclosure’ komt zo beschouwd (nog) enkel ten goede aan RWS die daarmee inzicht krijgt in de positie van de deskundige ten opzichte van RWS. Via een adviseur die al jaren als voorzitter van deskundigencommissies optreedt, heb ik begrepen dat er soms onderaan het (concept)rapport ook ten behoeve van de verzoekers melding wordt gemaakt van de onafhankelijkheid ten opzichte van RWS. Al met al is er op grond van de Beleidsregel I&W 2019 sprake van enige disclosure. Ook hier stel ik echter vast dat die disclosure nog onvoldoende is en dat aangeknoopt zou kunnen worden bij mijn voorstel uit § 6.2.5.