Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.2.1
3.2.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940802:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 27 april 1904 tot aanvulling van de Wet op de Vermogensbelasting 1892, Stb. 1904, 80 (art. 45B).
Dit was niet de eerste inkomstenbelasting, hoewel ook die pas relatief kort daarvoor, in 1892 en 1893, was ingevoerd. Deze inkomstenbelasting van minister Pierson was een ‘gesplitste’ inkomstenbelasting: de Wet van 27 september 1892, Stb. 1892, 223, belastte de inkomsten uit vermogen, de Wet van 2 oktober 1893, Stb. 1893, 149, belastte de bedrijfsinkomsten en andere inkomsten. De inkomstenbelasting van 1914 was wel de eerste integrale inkomstenbelasting. Zie hierover ook Adriani 1948, p. 331-332.
Art. 85 Wet Inkomstenbelasting 1914, Stb. 1914, 563.
Zie voor een overzicht van de tijdens de parlementaire behandeling hierover gewisselde standpunten en argumenten Scheltens 1959, par. 1.
Hij verwijst naar enkele voorbeelden van schrijvers die de schadevergoedingsgedachte in duidelijke bewoordingen kraken: Scheltens 1959, p. 17, noot 1.
De verhoging als fiscale bestuurlijke sanctie werd ingevoerd in 1904, toen de regeling van de navordering werd geïntroduceerd als toevoeging aan het heffingsinstrumentarium voor de vermogensbelasting.1 Tien jaar later werd de navordering met verhoging ook ingevoerd als heffingsinstrumentarium voor de eerste algemene2 inkomstenbelasting.3 In de aanloop naar deze wetswijzigingen werd het juridische karakter van de verhoging niet eensluidend geduid.4 Samengevat waren twee visies mogelijk. In de ene visie was de verhoging een straf die werd opgelegd omdat een aangifte onjuist was gedaan, bedoeld om de norm (het indienen van juiste aangiften) door middel van afschrikking af te dwingen en het schenden van die norm te corrigeren. In de andere visie was de verhoging een schadevergoeding, omdat de schatkist opbrengsten was misgelopen in eerdere jaren. De redenering was dat een onjuiste aangifte in het navorderingsjaar het vermoeden rechtvaardigt dat ook de aangiften over eerdere jaren vergelijkbare onjuistheden hebben bevat. Via de verhoging werden de over die eerdere jaren misgelopen opbrengsten alsnog ingehaald.
Scheltens heeft erop gewezen dat deze discussie niet nieuw was. Met betrekking tot de 19e eeuwse fiscale strafbepalingen stonden de wetgever (die meestal de tweede visie aanhing) en de literatuur (die doorgaans juist de eerste visie aanhing), lijnrecht tegenover elkaar.5 Daarom is ook de periode vóór de invoering van de verhoging als fiscale bestuurlijke sanctie relevant. Voor een goed begrip volgt daarom eerst een behandeling van deze ‘aanloopperiode’ (paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.2.3). Vervolgens komen de ontwikkelingsfasen van de verhoging zelf (tot en met 1945) aan de orde (paragraaf 3.2.4 tot en met paragraaf 3.2.7).