Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.6.1
12.2.6.1 Wijziging achteraf van de juridische kwalificatie (‘aard’-aspect)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940478:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 september 1999, BNB 2000/122, V-N 1999, p. 3795.
Feteris 2002, p. 211. In Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2018, V-N 2019/6.29.7 (met name r.o. 4.10), werd de kwalificatie in de loop van de procedure zelfs tweemaal gewijzigd (en geaccordeerd).
HR 22 september 1999, BNB 2000/122, V-N 1999, p. 3795, HR 4 april 2001, BNB 2001/272, NTFR 2001/563, HR 24 december 2004, NTFR 2004/1916.
Volgens Hof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2018, V-N 2018/21.27.27, r.o. 4.10 is dat te laat.
Hof Amsterdam oordeelde in de uitspraak die heeft geleid tot HR 9 oktober 2020, V-N 2020/54.29.1 (art. 81 Wet RO) dat ‘de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat de inspecteur na verwijzing door de Hoge Raad niet voor het eerst een zwaarder verwijt aan belanghebbende kan maken dan voorheen’, r.o. 6.3.11.
Zie voor een voorbeeld waarin de inspecteur een opzet-boete (van 50 %) in de uitspraak op bezwaar had gewijzigd in een boete wegens grove schuld (van 25 %): Hof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, V-N 2021/17.22 (zie r.o. 2.9-2.10). Tegen die wijziging waren als zodanig geen beroepsgronden aangevoerd.
Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.6.2. Zie ook paragraaf 12.2.4.1.
In dezelfde zin: Hof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2018, V-N 2018/21.27.27, r.o. 4.10. Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 46.
Zie daarover nader paragraaf 12.2.6.2.
Opzet omvat immers niet tevens het culpa-verwijt (grove schuld), zie HR 17 augustus 1998, BNB 1998/329 en HR 22 september 1999, BNB 2000/122, V-N 1999, p. 3795, waaromtrent nader paragraaf 6.4.5. Voorts zal de hoogte van de boete uiteraard niet naar boven kunnen worden aangepast in verband met het verbod op reformatio in peius, zie paragraaf 15.4.4.
Dat is ten aanzien van de sanctie op een eenmaal vastgestelde schending van de mededelingsplicht niet het geval: dan is de Hoge Raad onverbiddelijk. Zie daaromtrent paragraaf 12.2.3.2 en paragraaf 12.2.4.4.
Zie HR 22 september 1999, BNB 2000/122, V-N 1999, p. 3795, r.o. 4.2 en HR 4 april 2001, BNB 2001/272, NTFR 2001/563, r.o. 3.5, alsmede EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 54.
Zie daaromtrent nader paragraaf 15.3.
EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 51-54 en par. 62.
EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 62. Uit de overwegingen van het EHRM kan worden afgeleid dat de samenhang van de mededelingsplicht van art. 6 lid 3 onder a EVRM met het recht op een behoorlijke verdediging van art. 6 lid 3 onder b EVRM hierbij doorslaggevend is.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 211.
Zie hierna in paragraaf 12.2.6.2. Daar komt ook het door de Hoge Raad berechte geval aan de orde waarin de juridische kwalificatie van de boete wijzigde van niet betalen in te laat betalen (BNB 1994/165).
Zie voor een voorbeeld: Rb Noord-Holland 10 juni 2021, V-N 2021/33.14 (medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan art. 67e AWR door een belastingadviseur, boete vernietigd), r.o. 39.1 en r.o. 69-73 (zie voor de – gelijkluidende – afloop Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21). De rechtbank besteedde aandacht aan het feit dat feitelijk leidinggeven in een ander wetsartikel is omschreven dan medeplegen. Zoals ik eerder heb opgemerkt (zie paragraaf 12.2.4.2), hoeft de boete naar mijn mening niet te vervallen om de enkele reden dat de inspecteur het (juiste) wetsartikel niet heeft medegedeeld.
Zie daarover nader paragraaf 12.2.6.2.
Wijziging van de schuldgradatie
De inspecteur kan zonder schending van de mededelingsplicht een boete wegens opzet aankondigen, maar die kwalificatie bij de feitelijke oplegging van de boete in grove schuld wijzigen, ook al deelt hij die gewijzigde kwalificatie pas later aan de boeteling mede.1 Evenals Feteris verwacht ik dat ook een omgekeerde wijziging, van grove schuld in opzet, door de Hoge Raad zal worden geaccepteerd.2 De Hoge Raad heeft ook het subsidiair stellen van grove schuld goedgekeurd, zelfs als dat pas in het verweerschrift plaatsvindt.3 Of de inspecteur een dergelijke aanvulling ook nog voor het eerst in hoger beroep kan doen,4 of zijn standpunt (na cassatie) in een verwijzingsprocedure nog kan wijzigen,5 is niet zeker. Nu de Hoge Raad een wijziging van de kwalificatie in de beroepsfase heeft goedgekeurd, verwacht ik niet dat een wijziging in de bezwaarfase op principiële bezwaren zal stuiten.6
De kern van de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt is dat de aanpassing van louter het juridische etiket door de beugel kan. De boeteling kan de gewijzigde kwalificatie namelijk nog in bezwaar en beroep bestrijden. Dat laat onverlet dat wel tijdig kenbaar moet zijn gemaakt welke feitelijke gedraging de boeteling wordt verweten (dit betreft de reden van de beschuldiging7). Die medegedeelde feitelijkheden moeten bovendien voldoende aanknopingspunten bevatten voor de gewijzigde kwalificatie.8 Als de inspecteur in eerste instantie is uitgegaan van grove schuld, maar die kwalificatie later wijzigt in opzet, lijkt dat minder voor de hand liggend. Zijn feitenonderzoek zal dan immers niet gericht zijn geweest op de specifiek voor het doleuze opzetverwijt vereiste aspecten willens en wetens, maar veeleer op de culpoze aspecten van het grove schuld-verwijt (de slordigheid of onachtzaamheid).9 Omgekeerd zal, als de betreffende feiten slechts kunnen leiden tot de kwalificatie opzet, een boete wegens grove schuld doorgaans van de baan zijn.10 De ratio van de mededelingsplicht – het tijdig vernemen van het gemaakte verwijt met het oog op het kunnen voorbereiden een adequate verdediging – wordt dan immers gefrustreerd.
De Hoge Raad bekijkt het mededelingsvereiste in dit kader (wél11) in het licht van de overkoepelende waarborg van de fair hearing en van de verdedigingsrechten.12 De mededelingsplicht wordt pas geschonden als de toegang tot de rechter wordt belemmerd13 of als de boeteling zodanig in zijn verdediging wordt geschaad dat geen sprake meer is van een ‘fair trial’.
De opvatting van de Hoge Raad is naar mijn mening in lijn met de opvatting van het EHRM, aangezien het EHRM heeft erkend dat de nationale rechter in beginsel juridisch mag herkwalificeren.14 Wel heeft het EHRM daarbij een buitengrens aangegeven, die erop neer komt dat de verdachte zich moet kunnen verweren tegen de gewijzigde juridische kwalificatie. In de zaak Pélissier en Sassi waren de feiten door de rechter in hoger beroep juridisch geherkwalificeerd tot een ander strafbaar feit. De mededeling van dat andere strafbare feit vond pas plaats in het veroordelend vonnis, zonder dat de verdachten de kans hadden gehad om zich over de nieuwe verdenking uit te spreken. De aan de beschuldiging ten grondslag liggende feitelijkheden waren niettemin gelijk gebleven. In termen van het EVRM: de reden van de beschuldiging bleef hetzelfde, maar de aard werd plotseling en onverwacht gewijzigd. Onder die omstandigheden achtte het EHRM ook het wijzigen van de juridische kwalificatie ontoelaatbaar en in strijd met art. 6 lid 3 EVRM.15 Omdat de Hoge Raad in zijn jurisprudentie toetst of de boeteling door de gewijzigde kwalificatie in zijn verdediging is geschaad, verwacht ik niet dat de Hoge Raad in vergelijkbare omstandigheden tot een andere beslissing zou komen.
De slotsom is dat het enkel wijzigen van de verweten schuldgradatie niet leidt tot schending van de mededelingsplicht, mits de boeteling daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.
Wijziging van het kale beboetbare feit
De hiervoor behandelde jurisprudentie van de Hoge Raad wijst er niet op dat de aanpassing van de aard achteraf louter de schuldgradatie zou mogen betreffen. Ook een wijziging van alleen de juridische kwalificatie van het kale beboetbare feit is daarom naar verwachting toegestaan.16 Het gaat ook hierbij (net als bij opzet of grove schuld) louter om het juridische etiket: welk element van de delictsomschrijving levert de feitelijke gedraging precies op? Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie dat de inspecteur de boeteling in eerste instantie verwijt de aangifte onjuist te hebben gedaan, maar dat later vervangt door onvolledig.17 Ook in deze gevallen geldt naar mijn mening dat de oorspronkelijk medegedeelde feitelijkheden voldoende aanknopingspunten moeten bevatten voor de nieuwe kwalificatie,18 en dat de boeteling naar behoren moet kunnen reageren op de gewijzigde kwalificatie.
Wijziging van de kwaliteit (daderschap en deelneming)
Het voorgaande geldt naar mijn inschatting evenzeer voor een wijziging van de kwaliteit. Als de inspecteur na de oplegging van de boete (al dan niet subsidiair) een ander standpunt inneemt over de toepasselijke deelnemings- of daderschapsvorm, hoeft dat geen problemen op te leveren. Het moet dan louter om een wijziging van de juridische kwalificatie van de hoedanigheid van de boeteling gaan, terwijl de boeteling door die wijziging niet in zijn verdediging wordt geschaad. Te denken valt aan een boete die aanvankelijk alleen wegens medeplegen is opgelegd, maar ter zake waarvan de inspecteur later (subsidiair) stelt dat de boeteling als feitelijk leidinggever moet worden aangemerkt.19
Wel teken ik hierbij opnieuw aan dat de aanvankelijk medegedeelde feitelijke grondslag ook de later gewijzigde kwalificatie moet kunnen dragen. Net als bij een wijziging achteraf van de schuldgradatie is dat naar mijn mening niet vanzelfsprekend.20