Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.4.a
6.4.a Wettelijke maatstaf: goede rechtsbedeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605898:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 40, zie ook p. 23, 24 en 42; Kamerstukken I 2005/ 06, nr. C, p. 4.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 40 en 42; Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 6, p. 8.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24-25.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 20 en 24; Kamerstukken I 2005/06, nr. C, p. 4.
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 84.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24-25.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 20 en 24.
Reijntjes 2007, p. 22.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 22-23; Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 4, p. 3.
In lijn hiermee is ook het tweede lid van artikel 410a Sv, dat in gevallen van schuldeloos verstek verlofverlening bindend voorschrijft.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24-25.
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 85.
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 85.
De maatstaf voor verlofverlening is of behandeling van het hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. Weliswaar is hiermee aan de verlofrechter geen beleidsvrijheid gegeven, maar deze maatstaf is toch met opzet algemeen en open geformuleerd. “De vraag of een meer gestructureerd afwegingskader geboden moet worden is alleszins legitiem. In het wetsvoorstel is er bewust voor gekozen om een dergelijk kader in de praktijk tot ontwikkeling te laten komen”, aldus de minister.1 Nadere invulling is dus uitdrukkelijk aan de rechtspraktijk overgelaten.2 Omdat de betekenis van de maatstaf van goede rechtsbedeling verre van evident is, geeft de verlofvoorwaarde op het eerste gezicht aanzienlijk ruimte voor inhoudelijke en vooral vrije toegangsbeoordeling.
Intussen bevatten de parlementaire stukken diverse voorbeelden van gevallen die volgens de wetgever wel of niet verlof verdienen.3 Deze voorbeelden worden in de literatuur vaak geciteerd en worden in de praktijk als zodanig als verlofgronden gebruikt. Door ervan te abstraheren worden de bedoelingen van de wetgever nog duidelijker en komt een wat concretere maatstaf naar voren. Duidelijk wordt dat de wetgever primair inhoudelijke toegangsbeoordeling voor ogen had. In de kern is de strekking van de voorbeelden waarin de voorzitter verlof moet verlenen namelijk dat verlof moet worden verleend indien aannemelijk is dat een beslissing op een voor- of hoofdvraag uit artikel 348 of 350 Sv in hoger beroep anders zal uitvallen dan in eerste aanleg. Of zoals de minister het stelt in terugkerende bewoordingen: “het vonnis [zal] bij hernieuwde behandeling niet in stand […] kunnen blijven op grond van twijfel aan de bewezenverklaring, de gepastheid van de strafmaat of de deugdelijke toepassing van recht”, oftewel wanneer “het vonnis bij hernieuwde beoordeling niet in stand zal kunnen blijven”.4 Hiermee is duidelijk dat van de verlofvoorzitter wordt verwacht dat hij de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv zowel vanuit feitelijk als juridisch perspectief naloopt.5
Dat dit de toepasselijke verlofmaatstaf is, vindt bevestiging in de in de wetsgeschiedenis gegeven voorbeelden van gevallen waarin geen plicht bestaat tot verlofverlening. Die plicht is er niet indien de in de beroepsgrieven aangevoerde feiten redelijkerwijs niet behoeven te leiden tot een ander oordeel dan in het voorliggende vonnis is gegeven, ook wanneer van de juistheid van die feiten wordt uitgegaan. Verlofverlening is evenmin nodig indien de strafmaat wordt betwist, maar die in overeenstemming is met aanvaarde uitgangspunten bezien in relatie tot de kenmerken van de zaak en de aangevoerde omstandigheden en kenmerken van de persoon van de verdachte.6 Ook als bij aanvang duidelijk is dat specifiek in hoger beroep geldende ontvankelijkheidskwesties – zoals de vraag of op tijd appel is ingesteld – negatief kunnen worden beantwoord, mag verlof worden geweigerd.7 Aan de vragen van artikel 348 en 350 Sv komt men in appel dan immers niet toe.
Betekent dit alles dat de voorzitter ook verlof moet verlenen als deze van oordeel is dat in eerste aanleg (met nietigheid bedreigde) procedurele fouten zijn gemaakt? Dat lijkt wel te volgen uit de zojuist geciteerde passage over verlofverlening bij twijfels over de deugdelijke toepassing van het recht, nu ook procesrecht daaronder valt.8 Voorts geeft de memorie van toelichting aan dat het vanzelf spreekt dat de voorzitter goed zal letten op mogelijke schendingen (in eerste aanleg) van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR. “Waar hij aanwijzingen heeft dat daarvan sprake zou kunnen zijn, zal hij verlof moeten geven voor behandeling in hoger beroep”, aldus de toelichting.9 Deze passage impliceert op zijn minst dat door mensenrechten beschermde processuele rechten in het oordeel over een goede rechtsbedeling moeten worden betrokken.10 Of dit ook geldt voor andere (fundamentele) procedurele rechten, kan worden betwijfeld. Andere passages in de memorie van toelichting geven namelijk aan dat geen verlof behoeft te worden verleend als “de redengeving voor het instellen van appel berust op beweerdelijke partijdigheid van of als onprettig ervaren bejegening door de rechter, maar [...] niet [wordt aangegeven] waarom de beslissing op basis van de feiten anders had behoren te luiden”, of indien “in de redengeving voor het instellen van appel de beslissing […] als zodanig niet [wordt] betwist”.11 Dit citaat komt erop neer dat de voorzitter zich vooral moet concentreren op de inhoud van de strafzaak, terwijl procedurele missers in eerste aanleg in zijn oordeelsvorming niet de doorslag hoeven te geven, zelfs partijdigheid niet. Verlof is dus in elk geval aangewezen indien er op grond van een materiële of procedurele fout aanleiding is te veronderstellen dat een beslissing op een voor- of hoofdvraag in hoger beroep anders zal uitvallen dan in eerste aanleg.12
Kenmerkend voor de tot nu toe besproken voorbeelden is dat zij betrekking hebben op de ‘soliditeit’ van de voorliggende strafzaak en niet op meer algemene gezichtspunten als rechtseenheid, rechtsontwikkeling of handhavingsbelangen. Zo bedoelt de wetgever het ook: de verlofrechter “kan verlof alleen geven of weigeren op grond van redenen die in de concrete strafzaak zelf zijn gelegen”13 en mag zich niet door “oneigenlijke beleidsmatige overwegingen”14 laten leiden. Niet alleen “principiële zaken” moeten worden doorgelaten.15 Dit uitgangspunt lijkt echter niet absoluut, in die zin dat ook als de voorzitter geen reden ziet om op basis van de inhoud van de strafzaak verlof te verlenen hij toch verlof mag verlenen.16 Bijvoorbeeld als een zaak niet eenvoudig van aard is,17 een zaak juist “ondanks de […] eenvoudige aard en geringe ernst grote maatschappelijke beroering heeft teweeggebracht”,18 of een weliswaar lage straf toch consequenties heeft gehad voor de arbeidsrelatie van de verdachte.19 Iets scherper gesteld: het is de voorzitter niet toegestaan verlof te weigeren op grond van louter algemene of niet op de inhoud van de zaak gerichte belangen, verlof verlenen mag hij op basis daarvan echter wel.20
Samengevat duidt de wetsgeschiedenis erop dat de voorzitter de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv moet nagaan. Twijfelt hij of de rechter in eerste aanleg daarover een juiste beslissing heeft genomen, dan dient hij verlof te verlenen. Verlofverlening is eveneens mogelijk of zelfs aangewezen vanwege procesrechtelijke fouten in eerste aanleg. Verder is er ruimte voor verlofverlening als algemene belangen zoals de commotie rondom een zaak daarom vragen. Het verlofstelsel in hoger beroep geeft dus ruimte voor toegangsbeoordeling die materieel niet wezenlijk afwijkt van de beoordeling van het beroep ten gronde. Iets preciezer gezegd: gelet op de wetsgeschiedenis geeft artikel 410a Sv ruimte voor beperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling. Indien het vonnis vernietigd moet worden, moet toegang worden verleend, maar ook indien over de vernietigingsvraag twijfel bestaat of indien andere factoren dan de soliditeit van het vonnis voor toegang pleiten, moet of kan toegang worden verleend.