Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.1:4.1 Inleiding
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950309:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.7 over het samenhangcriterium.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209. Zie § 3.7.3.
Zie § 3.7.3.
Zie § 3.7.3.
Zie § 1.2.
Zie § 3.7.4.3.
Ook wel ‘relevante omstandigheden’ genoemd (zie bijv. Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 30).
Zie anders Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 37.
Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 37.
Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 37.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het samenhangcriterium is het centrale vereiste van het in artikel 6:52 BW gecodificeerde algemene opschortingsrecht. In dit hoofdstuk ga ik in op de vraag wanneer aan de voor de beoordeling van dit criterium geformuleerde maatstaf is of kan zijn voldaan.1 In artikel 6:52 lid 2 BW zijn ‘enige toepassingen’ van het samenhangcriterium vermeld.2 Dit artikellid bepaalt dat aan het samenhangcriterium onder meer kan zijn voldaan in de gevallen waarin de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. In § 4.2 ga ik in op de vraag wat de omstandigheid ‘dezelfde rechtsverhouding’ als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW inhoudt en de vraag wanneer die omstandigheid zich voordoet. In § 4.3 komen gevallen waarin deze omstandigheid zich voordoet aan de orde. In § 4.4 ga ik in op de vraag wat de omstandigheid ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ inhoudt en de vraag wanneer die zich voordoet. Daarbij komen ook voorbeelden van deze toepassing aan de orde. Deze in artikel 6:52 lid 2 BW opgenomen omstandigheden zijn enuntiatief.3 Evenwel blijkt uit de door mij onderzochte rechtspraak dat deze omstandigheden veeleer een indicatie vormen dat aan het samenhangcriterium is voldaan (§ 4.5). Voorts zijn de in artikel 6:52 lid 2 BW genoemde omstandigheden niet uitputtend of limitatief bedoeld. Ook onder andere omstandigheden dan die genoemd in dat artikellid kan wel of niet aan het samenhangcriterium zijn voldaan.4 Een aantal van deze omstandigheden komen in § 4.6 aan de orde. Op basis van de omstandigheden waaronder aan het samenhangcriterium is of kan zijn voldaan, onderscheid ik in § 4.7 een aantal gevaltypen bij het samenhangcriterium. Het hoofdstuk rondt af met een samenvatting en tussenconclusie (§ 4.8).
Voorafgaand aan de verdere uitwerking hiervan, merk ik het volgende op. De vraag wanneer tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, laat zich niet gemakkelijk in het algemeen beantwoorden.5 Misschien is die vraag ook niet in het algemeen te beantwoorden, omdat de beoordeling van het samenhangcriterium een redelijkheids- en billijkheidstoets is, die is gebaseerd op een weging van de feiten en omstandigheden van het geval.6 Daarbij rijst de vraag hoe in abstracto kan worden bepaald welke feiten en omstandigheden een rol kunnen spelen bij deze beantwoording.7 Ik denk niet dat de redelijkheid en billijkheid bepalen welke omstandigheden relevant zijn.8 De redelijkheid en billijkheid zouden dan bepalen welke omstandigheden de werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen beïnvloeden. De relevantie van een omstandigheid zou dan kunnen blijken als die de werking van de redelijkheid en billijkheid heeft beïnvloed. Daar lijkt Wolters vanuit te gaan, waar hij opmerkt dat een omstandigheid relevant is als in een rechtsbron een voorbeeld is opgenomen waaruit blijkt dat een bepaalde omstandigheid van invloed kan zijn of is geweest op de werking van de redelijkheid en billijkheid.9 Het ontbreken van een precedent ten aanzien van een bepaalde omstandigheid brengt mijns inziens echter niet mee dat dit een irrelevante omstandigheid zou zijn. Terecht merkt ook Wolters op dat een omstandigheid al relevant is als zij de werking van de redelijkheid en billijkheid kan beïnvloeden.10 Die relevantie blijkt als de omstandigheid de werking van de redelijkheid en billijkheid voor het eerst beïnvloedt. Die beïnvloeding valt samen met het moment waarop een beoordeling aan de hand van de redelijkheid en billijkheid plaatsvindt. Dan blijkt welke omstandigheden relevant zijn. De redelijkheid en billijkheid bepalen daarom denk ik niet wat de relevante omstandigheden zijn; de relevante omstandigheden komen aan het licht bij de beoordeling van de werking van redelijkheid en billijkheid. Het benutten van met name rechtspraak als rechtsbron van relevante omstandigheden heeft daarom een zekere beperking in zich. Omstandigheden die niet eerder van invloed zijn geweest op de beoordeling van de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kunnen uit rechtsbronnen niet bekend worden en als bepaalde omstandigheden eens van invloed zijn geweest op die beoordeling betekent dat niet dat zij in een volgend geval weer een rol of dezelfde rol zullen spelen. Niettemin denk ik dat met het rubriceren van omstandigheden die bekend zijn uit rechtsbronnen een zekere mate van voorspelbaarheid kan worden bereikt. Als een omstandigheid in meerdere gevallen op vergelijkbare wijze relevant is gebleken, is het aannemelijk dat die omstandigheid in een volgend vergelijkbaar geval ook van invloed zal zijn op de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.