Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.1.3
11.1.3 Ratio in de Nederlandse literatuur
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298008:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Inhoudelijk is hetzelfde bedoeld. Ondersteuning voor dit argument is onder meer te vinden bij Suijling 1940, p. 63; Ploeger 1997, p. 34; van der Steur 2003, p. 133; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 65; Verheul & Verstijlen 2016, p. 75; Koolhoven 2018, p. 399.
Ploeger 1997, p. 35.
Ploeger 1997, p. 121.
Deze terminologie wordt onder meer gebruikt door Ploeger 1997, p. 34; van der Plank 2016, p. 133.
Beekhuis 1972, p. 14; van der Steur 2003, p. 133; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 65; Tweehuysen 2017, p. 231.
Dit argument is vooral verdedigd door Beekhuis 1972, p. 14.
Het dichtst in de buurt komt Koolhoven 2018, p. 399, die stelt dat bestanddelen niet zelfstandig exploitabel zijn.
Zie in de laatste zin bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 13; Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 40.
439. Als ratio voor bestanddeelvorming worden in de literatuur hoofdzakelijk drie argumenten genoemd. Het eerste argument is dat het samenvoegen van bestanddelen ervoor zorgt dat er waarde kan worden gerealiseerd die de waarde van de individuele bestanddelen te boven gaat (zie ook randnummer 295).1 De individuele bestanddelen hebben geen zelfstandig nut.2 Dit argument wordt vaak andersom ingestoken, waardoor de terminologie net anders is. Er wordt dan gesteld dat het loskoppelen van bestanddelen zou zorgen voor kapitaalvernietiging, zodat het bij elkaar houden van bestanddelen zorgt voor waardebehoud.3 Dat laatste geldt eigenlijk alleen voor zaken die al verenigd zijn. Om ook te verklaren waarom verschillende zaken onderdeel van één zaak gemaakt moeten worden, is het beter om niet te spreken van ‘waardebehoud’, maar van ‘handelen vanuit een waardemotief’.4
440. Het tweede argument voor bestanddeelvorming is dat een eenduidige wettelijke regeling hierover de belangen van derden beschermt.5 De reden daarvoor is dat voor hen duidelijk is wat wel en niet onderdeel uitmaakt van een zaak, zodat zij daar hun gedrag op kunnen afstemmen (zie ook randnummer 293). Een variant van dit argument is dat het niet kunnen vestigen van beperkte rechten op afzonderlijke bestanddelen ervoor zorgt dat schuldeisers niet geconfronteerd kunnen worden met onverwachte andere gerechtigden.6
441. Een argument dat in de Nederlandse literatuur doorgaans niet met zoveel woorden wordt genoemd, is het feit dat met de bestanddeelvorming hoge transactiekosten worden voorkomen, doordat niet voor ieder onderdeel van een zaak aparte beschikkingshandelingen moeten worden verricht (zie ook randnummer 349).7 Impliciet is dit echter wel af te leiden uit de veelgemaakte opmerking dat men over bestanddelen geen zelfstandige (goederenrechtelijke) beschikkingshandelingen kan verrichten.8