Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.2.2.1
2.2.2.1 Het regresrecht tussen hoofdelijke schuldenaren: drie ontwikkelingsfasen
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS587352:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wesener die voor de ontwikkeling van het regresrecht an sich vijf ontwikkelingsfasen onderscheidt. Wesener, Labeo 1965, p. 341-361, p. 361.
Levy 1964, p. 242; Schmoeckel, Rückert & Zimmerman 2007, p. 2481; Meier 2010, p. 263, 267; Finkenauer, ZRG 2013, p. 164-202, p. 178.
Kaser 1971, p. 659; Schmoeckel, Rückert & Zimmerman 2007, p. 2481; Asser 1983, p. 16.
Von Savigny 1851, p. 232-239; Levy 1964, p. 243; Wesener, Labeo 1965, p. 341-361, p. 350; Kaser 1971, p. 659; Asser 1983, p. 16; Honsell 1997, p. 104; Van Boom 1999, p. 90; Schmieder 2007, p. 161-163; Meier 2010, p. 267; Finkenauer, ZRG 2013, p. 164-202, p. 176, 178-179.
Levy 1964, p. 237-238; Schmieder 2007, p. 163; Meier 2010, p. 392.
Levy 1907, p. 164-166; Wesener, Labeo 1965, p. 341-361, p. 351; Zimmerman 1996, p. 135.
Levy 1964, p. 223; Wesener, Labeo 1965, p. 341-361, p. 351; Van Boom 1999, p. 90.
Zowel Romeinse auteurs als auteurs van latere tijden hebben deze constructie bekritiseerd. Zimmerman 1996, p. 135.
Wesener, Labeo 1965, p. 341-361, p. 361; Zimmerman 1996, p. 137; Schmoeckel, Rückert & Zimmerman 2007, p. 2482; Meier 2010, p. 267-268.
Knap 1925, p. 56.
Schmoeckel, Rückert & Zimmerman 2007, p. 2482.
D. 27.3.1.13.
D. 9.3.1.10-D. 9.3.4.
Binder 1899, p. 288; Knap 1925, p. 32; Kaser 1975, p. 456-457; Schmieder 2007, p. 161; Meier 2010, p. 267-268.
Bijvoorbeeld: C. 4, 2, 12; C. 8, 39, 1. Kaser 1975, p. 456-457.
‘Indien u hebt bewezen dat u na daartoe te zijn aangesproken het geheel hebt betaald [de hoofdelijke schuld aan de schuldeiser], zal daarom de bestuurder van de provincie niet aarzelen u hulp te bieden tegen degene met wie u gezamenlijk de geldlening hebt ontvangen.’
Wesener, Labeo 1965, p. 354; Kaser 1975, p. 457, aldaar noot 27; Meier 2010, p. 267; Finkenauer, ZRG 2013, p. 164-202, p. 191-193.
Meier 2010, p. 269.
§ 2.5 voor maatstaven ter bepaling van de draagplicht en de omvang van de draagplicht.
De ontwikkeling van het Romeinse regresrecht bij hoofdelijke medeschuldenaren kan in drie fasen worden verdeeld.1 Hierbij is het belangrijk om te onderkennen dat de ontwikkeling van het regresrecht geleidelijk verloopt, waarbij oude en nieuwe grondslagen voor regres naast elkaar blijven bestaan. Daarom moeten de onderscheidenlijke fasen niet als scherpe cesuren worden gezien, maar veel meer als een in elkaar overlopend geheel.
De eerste ontwikkelingsfase van het regresrecht bij hoofdelijkheid kenmerkt zich door het uitbreiden van typen interne verhoudingen die als grondslag dienen om een regresrecht op te baseren. Deze ontwikkeling is met name relevant in de klassieke periode aangezien een zelfstandig regresrecht dan nog niet tot het repertoire van het Romeins recht behoort.2 De verhaalsmogelijkheden van een hoofdelijke schuldenaar op zijn medeschuldenaren hangt daarom af van de onderlinge rechtsverhouding.3 In deze fase kan regres worden genomen op grond van: societas (maatschap), communio (gemeenschap), mede-erfgenamen, lastgeving en zaakwaarneming. Bij afwezigheid van een dergelijke verhouding is regres tussen hoofdelijke schuldenaren niet mogelijk.4
In de tweede ontwikkelingsfase wordt een nieuw regresinstrument ontwikkeld, de beneficum cedendarum actionum, ofwel cessieregres. Dit instrument komt vooral die schuldenaren van pas die geen regres kunnen nemen op grond van de onderlinge rechtsverhouding. In het na-klassieke tijdperk, maar reeds voor de Justiniaanse periode, kan de aangesproken hoofdelijke schuldenaar op grond van de beneficum cedendarum actionum de schuldeiser verzoeken zijn vordering aan hem te cederen.5 De aangesproken schuldenaar kan zich met behulp van deze vordering verhalen op zijn medeschuldenaren. Het in deze zin cederen van de vordering wordt benaderd als zijnde een kooptransactie waarbij de aangesproken schuldenaar de vordering van de schuldeiser overneemt.6
Aanvankelijk is het aan partijen om een dergelijke cessie overeen te komen. Later kan de aangesproken schuldenaar de schuldeiser zelfs dwingen om zijn vordering aan hem te cederen voordat hij, ‘de koopprijs’, het bedrag waarvoor de schuldenaar is aangesproken, voldoet.7 Deze vorm van cessiedwang als grond voor een bijdrageplicht doet ons gekunsteld aan.8 Toch is de beneficium cedendarum actionum door Justinianus van toepassing verklaard op de borgtocht en alle situaties waarbij sprake is van hoofdelijkheid.9 De beneficum cedendarum actionum vertoont qua vorm trekken van de huidige subrogatie. Niet verwonderlijk aangezien de subrogatie zijn oorsprong vindt in dit construct uit het Romeinse recht.10
Tot besluit de derde ontwikkelingsfase. In deze fase is er in de laat klassieke en de na-klassieke periode een tendens waar te nemen tot verruiming van het aantal regresmogelijkheden.11 Zo kan bijvoorbeeld in de laat klassieke periode een aangesproken voogd met een actio negotiorum gestorum utilis regres nemen op zijn in hoofdelijkheid verbonden medevoogden.12 Een tweede voorbeeld betreft de bewoners van een verdieping van waaruit iets naar beneden is gegoten of geworpen dat schade heeft veroorzaakt. Degene die de schade heeft opgelopen kan iedere bewoner van de betreffende verdieping aanspreken voor het geheel. Bij voldoening van de schade door één van de bewoners worden de andere bewoners bevrijd van de schadevordering. De aangesproken bewoner heeft vervolgens van de andere hoofdelijk aansprakelijke bewoners recht op ieders deel in de schade.13
Ook lijkt in de derde ontwikkelingsfase een ontwikkeling in gang te worden gezet die leidt tot een zelfstandig regresrecht. Echter, in delen van de literatuur bestaat hier twijfel over.14 Dit komt doordat bepaalde passages in de Digesten en de Codex Justinianus verschillend kunnen worden uitgelegd.15 Een voorbeeld hiervan stamt uit het bewind van Diocletianus (244-311). Uit C. 8, 39, 1 kan de aanwijzing worden afgeleid voor het ontstaan van een algemeen regresrecht bij hoofdelijkheid:
‘Et ideo, si probaveris te conventum in solidum exsolvisse, rector provinciae iuvare te adversus eum, cum quo communiter mutuam pecuniam accepisti, non cunctabitur.’16
Het is echter onduidelijk of het regresrecht in het bovenstaand voorbeeld niet is afgeleid van de (vermoede) interne verhouding van de hoofdelijke schuldenaren. Ook is niet helder of hier wordt gesproken over regres bij deelschulden of voor één gemeenschappelijke schuld.17
De ontwikkeling van het regresrecht heeft geleid tot naast elkaar bestaande grondslagen zoals de beneficum cedendarum actionum, verschillende rechtsverhoudingen tussen de hoofdelijke schuldenaren en het mogelijke ‘zelfstandige’ regresrecht van Diocletianus. Deze verscheidenheid aan rechtsgronden is terug te vinden in latere codificaties. Ook de in novelle 99 besloten gedachte dat de hoofdelijke aansprakelijkheid in de externe verhouding noodzakelijkerwijs verbonden is met een interne verdeling van de schuld, zien we in veel huidige rechtsstelsels terug.18 De Romeinse bronnen zijn niet helder inzake de maatstaven aan de hand waarvan de omvang van de draagplicht wordt vastgesteld. De bronnen zwijgen over de tussen hoofdelijke schuldenaren van toepassing zijnde interne verdeelsleutels.19 Wel wordt duidelijk dat het Romeinse recht veel nadruk legt op de onderlinge rechtsverhouding tussen de medeschuldenaren. Deze rechtsrelatie vormt veelal de grondslag voor een bijdrageplicht.