Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/37:37 Cassatieberoep
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/37
37 Cassatieberoep
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505222:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie AG Huydecoper sub 39 vóór HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 (Waterschappen/Milieutech).
Conclusie AG Huydecoper sub 44-46 vóór HR 29 juni 2007, NJ 2007/353 (Waterschappen/ Milieutech).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Waterschappen stellen vervolgens beroep in cassatie in. In een lijvige conclusie concludeert AG Huydecoper dat de marges voor het aannemen van misbruik van procesrecht als het alléén gaat om het onverantwoord geldend maken van vorderingen of verweren in een procedure, bijzonder smal (moeten) zijn. De AG tracht de grens in het algemeen als volgt te formuleren:
‘(..) Onware stellingen betrekken valt binnen die marge als de desbetreffende partij ernstig valt te verwijten dat die het zo ver heeft laten komen; en ook het verdedigen van een juridisch (of gemengd feitelijk-juridisch) standpunt waarvan uitgesloten is dat dat opgeld zou kunnen doen, wordt daardoor ‘gedekt’. Het betrekken van stellingen of verdedigen van standpunten die zeer waarschijnlijk niet juist bevonden zullen worden, maar waarvan dat niet op de voorhand als uitgesloten mag worden aangemerkt, zal echter ‘in beginsel’ moeten worden toegelaten. ‘In beginsel’, want ook hier zullen de specifieke omstandigheden meebrengen dat de grens in het ene geval iets scherper getrokken moet worden dan in het andere(..).’1
De AG concludeert vervolgens dat het Hof een te losse maatstaf heeft aangelegd in zijn hierboven omschreven overweging:
‘Daarbij is het hof klaarblijkelijk tot het oordeel gekomen dat het (eerste) rapport-Tauw (ter ondersteuning van haar stelling inzake de temperatuur overgelegd door de Waterschappen, JV) volstrekt onvoldoende was (gebleken) om de aanwijzingen voor andere uitkomsten die aan het hof – als gezegd: niet erg uitgebreid – waren voorgehouden, te weerleggen. Aan de hand van die waardering kán men misschien (nog juist) oordelen dat de partij in kwestie – de Waterschappen – zich op de voorhand al behoorde te realiseren dat het tweede rekest-civiel volstrekt kansloos was; maar ligt een ander oordeel veel meer voor de hand: namelijk het oordeel dat die partij er van uit behoorde te gaan dat zij aan de hand van dat rapport alléén niet mocht verwachten, de rechter van de juistheid van haar standpunt te overtuigen. Alleen het eerste – dus dat van meet af aan duidelijk zou zijn dat rekest-civiel op de destijds gekozen grondslag geen succes kon hebben – kan, denk ik, de basis vormen voor het oordeel dat het toch instellen van rekest-civiel misbruik van procesbevoegdheden oplevert. Voor het tweede – het rapport dat men als basis voor zijn actie bezigt alléén rechtvaardigt niet de inschatting dat men de rechter van de juistheid van zijn standpunt zal kunnen overtuigen – geldt dat niet: of de betreffende processuele stap kansloos dan wel zinloos zal blijken te zijn, zou immers in dat geval afhangen van het verdere verloop van de procedure: van de (al-dan-niet) betwistingen van de kant van de andere partij, en van de gegevens waarop die in dat verband een beroep zou doen. Aan de hand van die gegevens (en met name: aan de hand van de tegenwerpingen die in het rekest-civiel en in de onderhavige procedure tegen het rapport-Tauw en de daarop gebaseerde stellingen zijn ingebracht) achteraf vaststellen dat men redelijkerwijs had moeten verwachten dat het tot uitgangspunt genomen rapport niet voldoende kon zijn om de rechter te overtuigen – en zo moet, naar ik vrees, rov. 3.4 van het eindarrest worden verstaan –, is dan onvoldoende om het verwijt van misbruik van procesrecht te ondersteunen.’2