Het recours objectif, een herwaardering
Einde inhoudsopgave
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/6.4:6.4 De betekenis van het recours objectif voor dienend bestuur
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/6.4
6.4 De betekenis van het recours objectif voor dienend bestuur
Documentgegevens:
mr. B. Assink, datum 01-09-2022
- Datum
01-09-2022
- Auteur
mr. B. Assink
- JCDI
JCDI:ADS675370:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 6.10.
Zie bijvoorbeeld De Poorter & De Graaf 2011, p. 58 en Zijlstra 2003, p. 269 en 279.
Over de countervailing power van de bestuursrechter in het kader van de trias politica zie bijvoorbeeld Van Male 2017 en Schuiling 1996. Zie ook Bovend’Eert 2013, p. 1-15 en De Poorter & De Graaf 2011, p. 217.
Zie bijvoorbeeld Bovend’Eert e.a. 2021, p. 336 en Burkens e.a. 2017, p. 112.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de invloed van het bedrijfsmatige denken, wordt de kwaliteit van dienend bestuur beïnvloed door de mate van verwezenlijking van het recours objectif. Dit recours bevordert immers - net als het recours subjectif - een belangrijk aspect van dienend bestuur, te weten rechtmatig bestuurshandelen (compliance). Omdat het recours objectif zich beperkt tot (een bepaalde vorm van) rechtmatigheidstoetsing, kan de dienende functie van het bestuur langs deze weg nooit in volle omvang worden verzekerd. Dienend bestuur houdt immers méér in dan (objectief) rechtmatig handelen alleen. Zo veronderstelt het ook effectief bestuur en bestuurskundige kwaliteiten,1 waarvan het besef en uitdragen van rechtsstatelijke uitgangspunten wel een belangrijk onderdeel uitmaakt.
Het effect van het recours objectif op het behoud van dienend bestuur kan voornamelijk vanuit twee (elkaar overlappende) gezichtspunten worden begrepen. Ten eerste kan worden gewezen op de preventieve werking die uitgaat van een algemene rechtmatigheidscontrole. Zoals eerder aangegeven, is hierbij de idee dat (de kans op) een beroepsprocedure en rechtshandhaving zijn schaduw vooruitwerpt op de juridisch-rechtsstatelijke kwaliteit van de houding en besluitvorming van bestuursorganen.2 De preventieve werking van de beroepsprocedure is een idee van alle tijden. De relevantie daarvan is zeker niet afgenomen. Van rechtmatigheidscontrole door de bestuursrechter gaat daarnaast een opvoedende werking uit (ten minste: als bestuursorganen correcties van de bestuursrechter voldoende ter harte nemen). De bestuursrechter houdt bestuursorganen immers bij de ‘rechtsstatelijke les’. Dat kan zelfs al het geval zijn bij een individuele beroepszaak, die het topje van de ijsberg laat zien. Van een individuele uitspraak kan immers een belangrijke voorbeeld- en signaalfunctie uitgaan. De invloed van de bestuursrechter als onafhankelijk, onpartijdig en (daardoor) gezaghebbend beoordelaar van het handelen van bestuursorganen is over het algemeen bovendien groot.
Ten tweede kan worden gewezen op het stimulerende effect van het recours objectif op de countervailing power van de bestuursrechter in het kader van het machtsevenwicht in de trias politica.3 De rol van de bestuursrechter als tegenmacht en zo nodig ‘opvoeder’ van het bestuur veronderstelt dat door hem checks worden verricht ten aanzien van besluiten van bestuursorganen. Aan de hand van deze checks wordt het betrokken bestuursorgaan ‘gecorrigeerd’ op onrechtmatige besluitvorming, bijvoorbeeld door middel van het vernietigen van het bestreden besluit. Het recours objectif levert een bijdrage aan deze checks. Door de wisselwerking tussen bestuursrechter en bestuursorganen kan tot een balance worden gekomen tussen de besturende en rechtsprekende macht (de bekende checks and balances in de trias politica4). De idee is dat door een zeker machtsevenwicht wordt voorkomen dat de invloed van een bepaalde staatsmacht te overheersend wordt. Als gevolg hiervan worden machtsmisbruik, ongelijke behandeling en willekeur teruggedrongen.
Door de verzwakking van het recours objectif vinden door de bestuursrechter minder ‘toezichthoudende’ checks plaats ten aanzien van het handelen van bestuursorganen. Een gevolg daarvan is dat de rechtsstatelijke prikkels en signalen verminderen die de bestuursrechter kan afgeven aan bestuursorganen. Een ander gevolg is dat het machtsevenwicht tussen het openbaar bestuur en de rechter zich ten faveure van het bestuur ontwikkelt. Omdat macht de neiging kan hebben te corrumperen, zou hierdoor dienend bestuur onder druk kunnen komen, hetgeen het risico op machtsmisbruik, ongelijke behandeling en willekeur kan vergroten.