Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.1:3.1 Inleiding
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258928:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Noordam, De Werkloosheidswet 1988, p. 63.
Zie Kamerstukken II 1994/95, 23985, nr. 3. Het kabinet gebruikt bij de wijziging verschillende termen, namelijk “reguliere band”, “losse band” (p. 8), “sterkere band” (p. 8, 9), “duurzame band” (p. 10) en “duidelijke band” (p. 11).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De referte-eis houdt kort gezegd in dat de werknemer voor het intreden van zijn werkloosheid een minimumtijd in een verzekeringsplichtige dienstbetrekking moet hebben gewerkt om toe te kunnen treden tot de WW (artikel 17 WW).1 Aanpassing van de refertevoorwaarden is een instrument dat, net als het verkorten van de duur (hoofdstuk 2), een direct effect heeft op het aantal WW-gerechtigden. Het verschil tussen de twee sturingsinstrumenten is dat bij het verkorten van de duur een groep WW’ers eerder aan het einde van hun uitkeringsrecht komt en daardoor minder lang van een WW-uitkering kan genieten. Bij het aanscherpen van de refertevoorwaarden komt vanaf aanvang direct een groep niet in aanmerking voor de WW-uitkering die onder de oude voorwaarden wel recht had gehad. De refertevoorwaarden kunnen ook worden verruimd om een groep WW’ers (sneller) toegang te verlenen tot een WW-uitkering (paragraaf 3.2.1).
Voor het bepalen van de duur van de uitkering moet gekeken worden of aan de voorwaarden van een arbeidsverledeneis is voldaan. Beide instrumenten, de wijziging van de duur en de referte-eisen, hangen nauw met elkaar samen met het arbeidsverleden van de werkloze. De twee sturingsinstrumenten werden soms ook tegelijkertijd aangepast. In 1995 werd bijvoorbeeld de duur verkort en de referte-eisen werden aangescherpt, maar in ruil daarvoor werd een kortdurende uitkering ingevoerd (zie paragraaf 2.5 en paragraaf 3.3). In dit hoofdstuk komt de jurisprudentie omtrent het arbeidsverleden niet aan bod. Voor meer informatie daarover zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.3 (Rechtspraak: discriminatoire karakter van berekening arbeidsverleden) en paragraaf 2.4.3 (Rechtspositie uitzendkracht en het 8-urencriterium).
De WW verzekert tegen het risico van loonderving en het karakter van een dergelijke regeling brengt met zich mee dat een duidelijke band2 met het arbeidsproces mag worden verwacht om recht te hebben op een uitkering. Andersom mag degene die premie heeft betaald via een dienstbetrekking bij werkloosheid een adequate uitkering verwachten. De band met het arbeidsproces komt via de referte-eis, een eis die ziet op het arbeidsverleden met een (combinatie van een) aantal gewerkte weken en jaren, tot uiting. In de afgelopen 33 jaar is dit sturingsinstrument – na het ijkpunt in 1987 (paragraaf 3.2) – twee keer ingezet om de instroom te verlagen, te weten in 1995 (paragraaf 3.3) en in 2006 (paragraaf 3.4). Deze wetswijzingen zal ik in dit hoofdstuk nader analyseren en ik zal daarbij de wijzigende rechtspositie van de WW’er in kaart brengen (paragraaf 3.5).