Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.4.3.4
8.4.3.4 Zijn er wel twee gronden voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen?
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363634:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.4.3.3. Veenstra (diss., par. 4.3.2.) stelt onder verwijzing naar een drietal ondernemingskamer-beschikkingen dat zij onmiddellijke voorzieningen kan treffen ten einde te voorkomen dat de enquêteprocedure wordt gefrustreerd doordat verzoekers en de ondernemingskamer hangende het onderzoek of nadat het onderzoek is afgerond met een voldongen feit worden geconfronteerd.
Hof Amsterdam (OK) 10 december 2008, JOR 2009/38 (AHAM), r.o. 3.8. Het cassatieberoep tegen deze beschikking werd afgewezen met toepassing van art. 81 RO zonder dat deze kwestie aan de orde kwam, zie HR 16 april 2010, JOR 2010/223 m.nt. Winters en Stegerhoek.
Inzake DSM was overigens nog geen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bevolen. Daaruit kan mijns inziens echter niet worden afgeleid dat deze beschikking niet zou zien op onmiddellijke voorzieningen die worden getroffen in het belang van het onderzoek. Ook voordat een dergelijk onderzoek wordt bevolen, kan het belang van het onderzoek immers vergen dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Bijvoorbeeld, in het geval de zittende bestuurders bewijs dreigen te vernietigen. In gelijke zin Geerts (Rechtspersonen 2008, aant. 3.2 bij art. 2:349a BW), die zich terecht beroept op Hof Amsterdam (OK) 24 januari 2002, ARO 2002, 3 (Grote Hoef Beheer) en 31 augustus 2001, JOR 2001/207 (Easy World Airline).
Onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek kunnen worden getroffen met het oog op een juiste afwikkeling van de enquêteprocedure.1 Dat impliceert een rechtsplicht van de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen om de goede werking van de enquêteprocedure niet te belemmeren. Mijns inziens vindt een dergelijke rechtsplicht met name zijn rechtvaardiging in het feit dat de enquêteprocedure het belang van de rechtspersoon dient2 en de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen zich redelijk en billijk jegens die rechtspersoon dienen te gedragen. Daaruit volgt dan weer dat de partij wiens gedrag onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek uitlokt jegens de vennootschap in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid. Onmiddellijke voorzieningen in verband met de toestand van de vennootschap zijn dan zonder meer (ook) gerechtvaardigd. Aldus bezien is het onderscheid tussen onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek en in verband met de toestand van de rechtspersoon non-existent.
Dat stelt mijns inziens buiten twijfel dat het connexiteitsvereiste uit de DSM- beschikking3 ook geldt bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek. Ook voor onmiddellijke voorzieningen in het belang van het onderzoek geldt dus dat deze maatregelen van reorganisatorische aard moeten zijn binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon. Het doel is het beëindigen van de situatie dat de rechtspersoon handelt in strijd met het belang van het onderzoek en het tegengaan van de nadelige gevolgen van het desbetreffende handelen door de rechtspersoon. Als de ondernemingskamer andere maatregelen wil nemen, zullen art. 2:351/352 BW en eventueel art. 2:353 BW uitkomst moeten bieden.