Parketnummer: 21-001684-23.
HR, 17-03-2026, nr. 24/00797
ECLI:NL:HR:2026:437
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-03-2026
- Zaaknummer
24/00797
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:437, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:164
ECLI:NL:PHR:2026:164, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:437
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0095
Uitspraak 17‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. onverzekerd rijden, art. 30.4 WAM. Dubbel verstek. Had hof de inhoud van e-mail van verdachte moeten aanmerken als grief a.b.i. art. 410.1 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1213 m.b.t. eisen die worden gesteld aan wijze van indiening en formulering van grieven. Hof heeft toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv en kennelijk geoordeeld dat e-mail waarmee verdachte aan griffie Rb volmacht heeft verleend tot instellen van hoger beroep, met daarin opgenomen de zin “Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ool niet tijdig kunnen afzeggen”, niet kan worden opgevat als grief a.b.i. art. 410 Sv. Dat oordeel geeft, gelet op wat hiervoor is overwogen, blijk van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00797
Datum 17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024, nummer 21-001684-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep. Het voert daartoe aan dat het hof ten onrechte niet in een door de verdachte verzonden e-mail een grief als bedoeld in artikel 410 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft gelezen.
2.2.1
De verdachte is door de kantonrechter voor – kort gezegd – onverzekerd rijden bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 700, subsidiair 14 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van vier maanden. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 27 maart 2023, dat is gewezen in de zaak met parketnummer 96-126377-22, en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.”
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich een e-mail van de verdachte, die is gehecht aan de ‘Akte instellen hoger beroep’ en die op 4 april 2023 is ingekomen bij de griffie van de rechtbank Midden-Nederland. Deze e-mail houdt in:
“Onderwerp: 96-126377-22
Mijn naam is [verdachte] en doormiddel van deze email zal ik hoger beroep wilel aanvragen in de zaak mwt het bovengenoemde parketnummer.
Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ool niet tijdig kunnen afzeggen.
Ik zal de zaak nummer nogmaals vermelden 96-126377-22.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 410 lid 1 Sv:
“1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. (...)”
"1. (...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
2.4
Op grond van artikel 410 lid 1 Sv moet een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook een volmacht tot het instellen van het hoger beroep kan dergelijke grieven bevatten. Onder ‘grieven’ kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Dit geldt ook voor de in artikel 416 leden 1 en 2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. Aan de formulering van de grieven – die ook door de verdachte zelf kunnen worden ingediend – worden geen hoge eisen gesteld. Wel moeten de opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. (Vgl. HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213.)
2.5
Het hof heeft toepassing gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de e-mail waarmee de verdachte aan de griffie van de rechtbank volmacht heeft verleend tot het instellen van hoger beroep, met de daarin opgenomen zin “Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ool niet tijdig kunnen afzeggen”, niet kan worden opgevat als grief als bedoeld in artikel 410 Sv. Dat oordeel geeft, gelet op wat hiervoor onder 2.4 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
Conclusie 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Overtreding 30 lid 4 WAM. Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep ex 416 lid 2 Sv. Getuigt oordeel hof dat mailbericht verdachte t.b.v. instellen van hoger beroep geen 'grieven' bevat van een onjuiste rechtsopvatting? AG: sprake van 'andersoortige grond' voor instellen van hoger beroep. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00797
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 27 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,1.niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Namens de verdachte heeft Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en bevat de klacht dat het (kennelijke) oordeel dat er geen sprake is van ‘grieven’ van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is.
2.2
De verdachte is bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2023 bij verstek veroordeeld wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” tot een geldboete van € 700, subsidiair 14 dagen hechtenis. Tevens is aan hem een rijontzegging voor de duur van vier maanden opgelegd.
2.3
Op 4 april 2023 heeft de verdachte middels een aan de strafgriffie van de rechtbank Midden-Nederland gestuurd bericht hoger beroep ingesteld. Dat bericht luidt als volgt:
“Mijn naam is [verdachte] en doormiddel van deze email zal ik hoger beroep wilel aanvragen in de zaak mwt het bovengenoemde parketnummer. Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ooi niet tijdig kunnen afzeggen. Ik zal de zaak nummer nogmaals vermelden 96-126377-22.”
2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2024 vermeldt:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
De raadsheer deelt mede dat de dagvaarding hoger beroep voor deze zitting blijkens de stukken in het dossier correct is betekend
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte. De voorzitter beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert aanstonds dat het hof de verdachte, zonder verder onderzoek van de zaak, niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu de verdachte geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en doet direct uitspraak.
AANTEKENING MONDELING ARREST
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 27 maart 2023, dat is gewezen in de zaak met parketnummer 96-126377-22, en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING:
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.5
Het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv geeft het hof de bevoegdheid om het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren als de verdachte geen schriftuur houdende ‘grieven’ heeft ingediend noch mondeling ‘bezwaren’ tegen het vonnis opgeeft.
2.6
Indien noch de correct gedagvaarde verdachte noch een door hem gemachtigd raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en tegen de verdachte vervolgens verstek is verleend, rijst de vraag of het hof de zaak met toepassing van art. 416 lid 2 Sv kan en wil afdoen. Of het kan, hangt er dan van af of de verdachte vooraf ‘grieven’ heeft ingediend.
2.7
Onder ‘grieven’ kunnen volgens de Hoge Raad zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen.2.Bij die andersoortige gronden zal – mede gelet op het standaardformulier voor het indienen van grieven – moeten worden gedacht aan omstandigheden betreffende de gang van zaken ter terechtzitting in eerste aanleg die hebben gemaakt dat de verdachte in hoger beroep komt, zoals dat de verdachte om een bepaalde reden niet bij de terechtzitting aanwezig heeft kunnen zijn (waaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij wel aanwezig had willen zijn, maar dat die reden daaraan in de weg heeft gestaan en de verdachte in hoger beroep uit is op een herkansing) en/of dat de verdachte iets naar voren had willen brengen (waaruit kan worden afgeleid dat dit niet is gelukt en de verdachte in hoger beroep uit is op een herkansing).3.Om te kwalificeren als grief zal duidelijk moeten zijn dat het bezwaar tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg dan wel de andersoortige gronden de ‘reden’ van het instellen het hoger beroep is. Mededelingen, al dan niet van algemene aard, zullen niet als grief zijn aan te merken, indien daaruit niet volgt dat ‘om die reden’ hoger beroep is ingesteld.
2.8
De steller van het middel doet een beroep op een arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2016.4.Daarin besliste de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de enkele schriftelijke opgave van de verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Die zaak verschilt wat van de onderhavige zaak, omdat de verdachte in die zaak gebruik heeft gemaakt van het standaardformulier, waarbij hij had aangekruist dat hij niet bij de terechtzitting was en zijn afwezigheid had toegelicht door toe te voegen dat hij niet op de hoogte was van de zitting door een verhuizing. Daarmee had de verdachte te kennen gegeven hoger beroep in te stellen ‘omdat’ hij vanwege een bepaalde door hem toegelichte reden afwezig was op de terechtzitting in eerste aanleg. In de onderhavige zaak heeft de verdachte – zonder gebruik van het standaardformulier, hetgeen ook niet verplicht is – slechts aangegeven hoger beroep te willen instellen met daarbij de vermelding dat hij ‘helaas’ niet aanwezig kon zijn bij de zitting en niet tijdig kon afzeggen.
2.9
De vraag die mij in deze zaak voorligt, is of het bericht dat de verdachte aan de strafgriffie van de rechtbank-Midden-Nederland heeft gestuurd, ‘grieven’ bevat. Door de verdachte is naar aanleiding van zijn (verstek)veroordeling bij de politierechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij hoger beroep wil ‘aanvragen’, hij helaas niet bij de zaak aanwezig kon zijn en ook niet tijdig heeft kunnen afzeggen.
2.10
In de voorliggende zaak moet worden vastgesteld dat het mailbericht van de verdachte geen ‘bezwaren direct tegen het vonnis in eerste aanleg’ bevat. Centraal staat daarom de vraag of het mailbericht van de verdachte aangemerkt moet worden als inhoudende ‘andersoortige gronden voor het instellen van hoger beroep’. Dat punt zou ik willen beantwoorden aan de hand van hetgeen ik onder randnummer 2.7 van deze conclusie heb opgemerkt, te weten dat de andersoortige gronden de ‘reden’ van het instellen het hoger beroep moeten zijn en (al te algemene) mededelingen niet als grief zijn aan te merken, indien daaruit niet volgt dat ‘om die reden’ hoger beroep is ingesteld. Daarbij neem ik in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het – nu art. 410, eerste lid, Sv geen nadere materiële eisen stelt aan de appelschriftuur – in de rede ligt om aan de formulering van de grieven ‘thans’ geen hoge eisen te stellen.5.Tegelijkertijd wijs ik erop dat door de rechtspraak een standaardformulier is opgesteld, waarop grieven tegen het vonnis ‘en/of redenen voor het instellen van hoger beroep’ kunnen worden weergeven. Het (gedegen) invullen van dit formulier brengt met zich dat de invuller ervan mag uitgaan dat daarmee wordt voldaan aan het vereiste kenbaar maken van ‘grieven’.6.
2.11
Terugkomend op de nu voorliggende vraag, meen ik alles afwegende dat de inhoud van het mailbericht dat de verdachte heeft gestuurd een ‘andersoortige grond’ bevat voor het instellen van hoger beroep. Uit het mailbericht valt immers af te leiden dat de verdachte bij de terechtzitting in eerste aanleg aanwezig had willen zijn en dat ‘helaas’ niet is geweest, ‘omdat’ hij daarbij niet aanwezig kon zijn, hetgeen de reden vormt voor het instellen van hoger beroep. De omstandigheid dat de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, doet daaraan niet af omdat de oorzaak daarvan gelegen kan zijn in een omstandigheid die zich ná het instellen van appel middels het mailbericht heeft voorgedaan. Dat gegeven staat daarom niet in de weg aan de vraag naar of het mailbericht een grief bevat.
2.12
Het voorgaande maakt dat het kennelijke oordeel van het hof de verdachte geen ‘grieven’ heeft ingediend, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.7.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑02‑2026
Vgl. HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251.
Mijn voormalig ambtgenoot Vellinga heeft er onder verwijzing naar Kamerstukken II 2005–2006, 30 320, nr. 3, p. 24, eerder op gewezen dat de memorie van toelichting onder meer als voorbeeld noemt de wens alsnog tegenspraak te willen leveren. Zie ECLI:NL:PHR:2015:2488, onder 11.
HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175 m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.40.
Zie daartoe onder meer de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen van 20 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:929, punt 15.
Met de overweging dat de verdachte geen ‘bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis’ heeft het hof naar mijn mening mede beoogd uit te drukken dat er geen grieven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv door de verdachte zijn ingediend.