Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/8.6
8.6 Relevantie van artikel 17 van het Handvest voor belastingzaken
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197304:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat.
Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten.
Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PbEU 2016, L 193) en Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (PbEU 2016, L 144/1).
HvJ 30 april 2014, zaak C-390/12 Pfleger a.o., ECLI:EU:C:2014:281. In vergelijkbare zin Berlington, par. 89-91.
A-G Sharpston schreef in de conclusie van 26 oktober 2012, ECLI:EU:C:2013:747: “69. Een beperking van het gebruik van kansspelautomaten die toelaatbaar is op grond van artikel 56 VWEU, volgens hetwelk aan het evenredigheidsbeginsel moet zijn voldaan, is mijns inziens ook verenigbaar met artikel 17 van het Handvest. Een dergelijke beperking van het gebruik van eigendom overschrijdt niet die voorzien in artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM, dat het recht op eigendom onderwerpt aan het „recht [...] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. 70. De artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest stellen daarom volgens mij geen zwaardere eisen aan een beperking van de vrijheid van dienstverrichting om geoorloofd te zijn dan die welke reeds in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 56 VWEU zijn voorzien.”
Binnen het belastingrecht lijkt vooral een rol weggelegd voor het Handvest op het gebied van de indirecte belastingen, die binnen de EU verregaand zijn geharmoniseerd en geüniformeerd. Gelet op de Wachauf-jurisprudentie kunnen belastingplichtigen klagen dat de EU het Handvest heeft geschonden bij het uitvaardigen van BTW-richtlijnen of douaneverordeningen, of dat lidstaten het Handvest hebben geschonden bij de omzetting van richtlijnen of bij de uitvoering van de implementatiewetgeving of van verordeningen.
Op het gebied van de directe belastingen is veel minder sprake van harmonisatie en uniformering, zodat het Handvest minder vaak ingeroepen kan worden dan in bijvoorbeeld BTW- en douanezaken. Voorbeelden van regelgeving betreffende directe belastingen die wel binnen de reikwijdte van het EU-recht en dus het Handvest valt zijn de fusierichtlijn1 en de moeder-dochterrichtlijn.2 Ook vallen nationale maatregelen die implementatie zijn van de EU-anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD 1 en ATAD 2)3 binnen de reikwijdte van het Handvest. Bij directe belastingen lijkt een beroep op het Handvest vooral aan de orde in een ERT-situatie, dus als sprake is van een beperking van de verkeersvrijheden door belastingheffing of -invordering die de grensoverschrijdende situatie ongunstiger treft dan de vergelijkbare interne situatie. Zo zou een belemmerende exitbelasting ten laste van een ondernemer ook de vrijheid van ondernemerschap kunnen bedreigen. Het is echter de vraag wat een beroep op artikel 17 van het Handvest in zo een geval toevoegt naast een beroep op de verkeersvrijheden. Illustratief voor de beperkte toegevoegde waarde van het Handvest in ERT-situaties is de wijze waarop het HvJ het beroep op artikel 17 van het Handvest heeft afgedaan in de genoemde zaak Pfleger.4 De Oostenrijkse verwijzingsrechter stelde in deze zaak de volgende prejudiciële vraag aan het HvJ:
“Verzet het in artikel 56 VWEU en in de artikelen 15 tot en met 17 van het [Handvest] tot uitdrukking gebrachte evenredigheidsbeginsel zich tegen een nationale regeling (…) die de exploitatie van kansspelen door middel van automaten afhankelijk stelt van de voorwaarde dat tevoren een vergunning is verleend (waarvan het aantal aan een maximum gebonden is), bij ontbreken waarvan zowel strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd als rechtstreeks door dwangmiddelen op zaken kan worden opgetreden, hoewel tot nog toe – voor zover bekend – door de Staat in geen enkele gerechtelijke of bestuurlijke procedure is bewezen dat daarmee verbonden criminaliteit en/of gokverslaving daadwerkelijk een substantieel probleem vormt, dat niet door gecontroleerde expansie van geoorloofde kansspelactiviteiten naar een groot aantal afzonderlijke aanbieders, maar enkel door een gecontroleerde, door louter gematigde reclame gekanaliseerde expansie van een monopolist (dan wel zeer weinig oligopolisten) kan worden tegengegaan?”
Het HvJ verklaarde voor recht dat:
“Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in de hoofdgedingen, voor zover die regeling niet werkelijk beoogt de speler te beschermen of criminaliteit te bestrijden en niet daadwerkelijk beantwoordt aan het streven op samenhangende en stelselmatige wijze de gelegenheden tot spelen te verminderen of de aan deze spelen verbonden criminaliteit te bestrijden.”
Het HvJ kwam niet toe aan een afzonderlijke behandeling van de vraag of de litigieuze wetgeving in strijd was met de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest, aangezien de geconstateerde onevenredige beperking van de vrijheid van dienstverlening “krachtens art. 52, lid 1, van het Handvest evenmin toelaatbaar is met betrekking tot de artikelen 15 tot en met 17”:
“57 Een beperkende nationale regeling in de zin van artikel 56 VWEU, zoals die in de hoofdgedingen, kan eveneens een beperking inhouden van de vrijheid van beroep, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom zoals neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest.
58 Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest is een dergelijke beperking slechts toelaatbaar indien zij bij wet is gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigt. Bovendien kan zij met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel slechts worden gesteld, indien zij noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
59 Zoals de advocaat-generaal in de punten 63 tot en met 70 van haar conclusie heeft opgemerkt, is in omstandigheden zoals die van de hoofdgedingen een niet-gerechtvaardigde of onevenredige beperking van de vrijheid van dienstverlening uit hoofde van artikel 56 VWEU krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest evenmin toelaatbaar met betrekking tot de artikelen 15 tot en met 17 daarvan.
60 Bijgevolg geldt de toetsing aan artikel 56 VWEU van de beperking die de nationale regeling in de hoofdgedingen inhoudt in casu ook voor de mogelijke beperkingen van de uitoefening van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest, zodat een afzonderlijke toetsing uit dien hoofde niet nodig is.”
Hoewel artikel 56 VWEU een andere norm beschermt dat de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest, was het HvJ – daarin de A-G volgend5 – van oordeel dat de constatering dat de vrijheid van dienstenverkeer is geschonden vanzelf meebrengt dat ook de vrijheid van beroep en het recht te werken, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom zijn geschonden. Dit illustreert dat er voor wat betreft de toetsing van de noodzakelijkheid in het algemeen belang en de proportionaliteit van het handelen van de lidstaten een overlap bestaat tussen de verkeersvrijheden en het Handvest. Een beroep op het Handvest heeft in een ERT-situatie alleen meerwaarde, als het HvJ een beperking van de verkeersvrijheden wel en een aantasting van de rechten van het Handvest niet gerechtvaardigd zou vinden. Maar, zoals opgemerkt: als de verkeersbelemmering gerechtvaardigd en proportioneel is, zal de daarmee samengaande beperking van het desbetreffende grondrecht dat veelal ook wel zijn.