Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.5:4.5 Conclusie
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.5
4.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254102:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
564. In dit hoofdstuk stond de wijziging van rechtswege centraal. Verschillende rechtsgronden zijn de revue gepasseerd. In de eerste plaats ging het om de mogelijkheid dat een beperkt recht van rechtswege wijzigt op grond van verjaring. Art. 3:99, art. 3:105 en art. 3:106 BW zijn besproken. In de tweede plaats ging het om de mogelijkheid dat een pandrecht (al dan niet van rechtswege) van rang wisselt met een ander pandrecht of een recht van vruchtgebruik. Art. 3:238 lid 2 jo. lid 1 BW is hiervoor de grondslag. In de derde plaats ging het om de mogelijkheid dat een erfpacht- of opstalrecht doorloopt als de onroerende zaak bij het einde van het beperkte recht niet is ontruimd ingevolge art. 5:98 BW. Concluderend kan worden gesteld dat het in dit hoofdstuk om heel verschillende wijzigingsgrondslagen ging. De aard van de grondslagen maakt dat het niet verwonderlijk is dat op bepaalde punten wordt afgeweken van de systematiek van de wijziging van beperkte rechten. In het ‘normaalgeval’ is voor de verlenging van de duur van een erfpacht- of opstalrecht de inschrijving van een notariële wijzigingsakte vereist. Het doorlopen van een erfpacht- of opstalrecht werkt echter van rechtswege, zodat de verlenging tot stand komt zonder inschrijving van de notariële wijzigingsakte. Het is echter niet vanzelfsprekend dat de bescherming van art. 3:24 BW niet kan worden ingeroepen. Kennelijk is in het kader van art. 5:98 BW een afweging in abstracto gemaakt ten gunste van de erfpachter of opstaller. Opvallend is wel dat de uitzondering niet blijkt uit de tekst van art. 3:24 BW, maar slechts uit de parlementaire geschiedenis. In het kader van verjaring volgt wel uit de tekst van art. 3:24 BW dat de bescherming van lid 1 niet geldt. De gedachte daarachter onderschrijf ik, maar in bepaalde gevallen is moeilijk jegens een rechtsopvolger te verantwoorden dat hij niet wordt beschermd, terwijl hij van de echte situatie niet op de hoogte had kunnen zijn. Zijn belangen moeten worden beschermd door invulling van de bezitseis. Dat sluit ook aan bij de systematiek dat goede trouw tot bescherming kan leiden. Dat zien we niet alleen bij een wijziging door verjaring, maar ook bij een rangwijziging op grond van derdenbescherming. Door bescherming te bieden aan derden te goeder trouw wordt het systeem in balans gehouden.