Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.1
4.1 Inleiding
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254056:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Nieskens-Isphoding & Van der Putt-Lauwes, Derdenbescheming (Mon. Nieuw BW nr. A22) 2002/6c; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/367 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/162 werkt de bescherming van rechtswege. Volgens Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/406; Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht 2017/53 en Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht 2019/544 werkt de bescherming niet van rechtswege.
Van een wijziging door de rechter is geen sprake en van een wijziging door partijen ook niet. De wijziging komt dus, als die niet van rechtswege werkt, daar wel het dichtst bij in de buurt.
434. In dit hoofdstuk staat de wijziging van beperkte rechten van rechtswege centraal. In paragraaf 4.2 bespreek ik de mogelijkheid dat de inhoud van een beperkt recht wijzigt via verjaring. Art. 3:99, art. 3:105 en art. 3:106 BW komen aan bod. Deze verjaringsgrondslagen werken van rechtswege. Dat wil zeggen dat de rechtsgevolgen intreden op het moment dat aan de vereisten is voldaan. In paragraaf 4.3 behandel ik de mogelijkheid dat een pandrecht van rangorde wijzigt als gevolg van derdenbescherming. De grondslag daarvoor is art. 3:238 lid 2 jo. lid 1 BW. Alhoewel in de literatuur geen consensus bestaat over het antwoord op de vraag of de bescherming van dit artikel van rechtswege werkt of dat op de bescherming een beroep moet worden gedaan,1 bespreek ik de wijzigingsgrondslag toch in dit hoofdstuk.2 In paragraaf 4.4 komt art. 5:98 BW aan bod, op grond waarvan een erfpachtrecht doorloopt wanneer de tijd waarvoor de erfpacht is gevestigd, is verstreken en de erfpachter de zaak niet op dat tijdstip heeft ontruimd. Op grond van art. 5:104 lid 2 BW is het artikel van overeenkomstige toepassing op het zelfstandige recht van opstal. Het doorlopen van het erfpacht- of opstalrecht is aan te merken als een verlenging van de duur van het erfpachtrecht of opstalrecht. Het doorlopen werkt van rechtswege. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 4.5.