Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.9.0
2.9.0
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613060:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Hierop wordt in par. 4.2 wat nader ingegaan.
Zie Barak 2002, nr. 116. Zie ook: Barak 2006: ‘How a judge applies the rules of standing is a litmus test for determining his approach to his judicial role. A judge who regards his role as deciding a dispute between persons with rights – and no more – will tend to emphasize the need of an injury in fact. By contrast, a judge who regards his judicial role as bridging the gap between law and society and protecting formal and substantive democracy will tend to expand the rules of standing’, p. 192.
Zie Kuiper 2008, p. 36-38 en zie hierna par. 7.4.1.
Aan het begin van de vorige eeuw was het vooral aan de wetgever om een balans te vinden tussen de belangen van een daadkrachtige strafrechtspleging en de bescherming van individuele rechten van de verdachte en andere burgers. De rechter heeft voor het vinden van die balans in de loop van de vorige eeuw door zijn toegenomen rechtsvormende rol en door de ontwikkeling die ertoe heeft geleid dat het beslissen over rechtsgevolgen van vormfouten in concrete gevallen aan hem is overgelaten, een zelfstandige verantwoordelijkheid gekregen die in zwaarte alleen maar is toegenomen.
Het geven van inhoud aan die verantwoordelijkheid begint bij de interpretatie van strafvorderlijke regels. De rechtsvormende taak van de rechter (in hoogste instantie: de Hoge Raad), brengt daarbij mee dat hij een belangrijke rol heeft bij de afbakening van de grenzen van bevoegdheden van politie en OM en daarmee van de grens tussen rechtmatig en onrechtmatig handelen. Op zichzelf is deze, bij de rechtsvormende taak van de rechter behorende, verantwoordelijkheid niet specifiek voor het reageren op vormfouten, maar op dit terrein kan zij wel ver strekkende implicaties hebben. Wordt een regel die de politie een bepaalde bevoegdheid verleent strikt uitgelegd, dan kan dat de waarheidsvinding bemoeilijken, maar tegelijk wordt daarmee bescherming geboden aan de individuele rechten van degenen op wie die bevoegdheid bij een ruimere interpretatie zou kunnen zijn toegepast.1
Is de precieze betekenis van een strafvorderlijke regel vastgesteld, dan rijst de vraag naar de aard en omvang van de controle die de zittingsrechter op de naleving van die regel moet uitoefenen en de vraag of en, zo ja welk rechtsgevolg door hem aan een schending van die regel moet worden verbonden. Ook op dit terrein zijn aan de rechter veel keuzes overgelaten. Dat geldt zowel op het niveau van de belangenafweging in een concrete zaak, die in de eerste plaats aan de zittingsrechter is, als op het niveau van de vormgeving van de wijze waarop de zittingsrechter zijn taak op dit terrein uitoefent. De rechtspraak van de Hoge Raad is hierop van grote invloed. De Hoge Raad bakent in zijn rechtspraak op meer of minder gedetailleerde wijze de controlerende taak van de zittingsrechter met betrekking tot het voorbereidend onderzoek af en bepaalt welke rechtsgevolgen onder welke omstandigheden voor toepassing in aanmerking komen. Dat zijn de twee meest wezenlijke elementen van de vormgeving van de taak van de zittingsrechter.
De afbakening van de controlerende taak van de zittingsrechter is beslissend voor de aard en omvang van het toezicht van de zittingsrechter op het handelen van politie en OM. Dat bepaalt mede voor welke soorten rechtsschendingen de zittingsrechter redres kan bieden. Voorts kan van controle een preventief – normconform gedrag bevorderend – effect uitgaan, doordat politie en OM zich op de vingers gekeken weten. Dat effect kan versterkt worden door ervoor te kiezen een ingrijpend rechtsgevolg te verbinden aan een bepaald soort vormfout. De dreiging van de toepassing van een dergelijke reactie werpt zo haar schaduw op het voorbereidend onderzoek vooruit. Deze uit een oogpunt van normconformiteit van de opsporing positieve effecten hebben echter hun prijs. Naast de evidente nadelige effecten van de toepassing van ingrijpende reacties op de waarheidsvinding, moet onder ogen worden gezien dat een uitgebreide controle veel tijd en aandacht vergt van alle betrokkenen bij het proces ter terechtzitting. Dat kan afleiden van andere belangrijke (materiële) aspecten van de zaak en het is kostbaar: goede redenen om de omvang van de controle te beperken tot het noodzakelijke.
Welke mate van controle door de zittingsrechter noodzakelijk is en welke rechtsgevolgen noodzakelijk moeten worden verbonden aan bepaalde vormfouten, is geen statisch gegeven. Een evenredige inzet van de controlerende taak en een evenredige toepassing van rechtsgevolgen van vormfouten is mede afhankelijk van de mate waarin buiten het strafproces en door anderen dan de zittingsrechter de functies worden vervuld, waartoe het controleren en reageren op vormverzuimen door de zittingsrechter dient.
Bij de vormgeving van de rechtspraak over het reageren op vormfouten zal enerzijds verzekerd moeten zijn dat de strafrechter het recht op een eerlijk proces voor de verdachte bewaakt en dat recht wordt gedaan aan de eigenstandige verantwoordelijkheid van de strafrechter voor het behoud van het rechtsstatelijk gehalte van de opsporing. Tegelijkertijd moeten geen onnodig grote hindernissen worden opgeworpen aan een effectieve en efficiënte strafrechtspleging. Dat betekent dat de rechtspraak van de strafrechter zal moeten zijn afgestemd op de in een bepaald tijdsgewricht in de opsporing bestaande situatie en op de mate waarin adequate alternatieven bestaan om onrechtmatig overheidsoptreden te voorkomen en (mede door het bieden van compensatie) te redresseren. Ter illustratie kan hierbij worden gewezen op de invloed van de in Israël voortdurend bestaande hoogspanning tussen het belang de veiligheid te waarborgen en het belang grondrechten te bewaken. Om in dit verband een zo betekenisvol mogelijke rol te kunnen spelen en burgers zoveel mogelijk daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden, hanteert het Israëlische Hooggerechtshof in veel gevallen geen strikt vereiste van ‘standing’, een met ons Schutznormvereiste vergelijkbaar concept dat beperkingen stelt aan wie bij de rechter kan klagen over een rechtsschending.2 In de Verenigde Staten daarentegen wordt in veel gevallen juist strikt de hand gehouden aan het vereiste van ‘standing’.3