Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.5.3
4.5.3 De mate van schuld
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586235:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Brunner 1981a, p. 215 en 234.
Brunner 1981a, p. 216. Voor art. 1405 (oud) BW, waar volgens Brunner “aarzeling” over de strekking bestond, kan het gelet op het uitzonderlijke karakter van risicoaansprakelijkheid volgens Brunner wel het gezichtspunt gelden dat slechts schade kan worden toegerekend waarvan aannemelijk is dat de wetgever die schade op het oog had toen hij de aansprakelijkheid schiep.
Omgekeerd heeft de Hoge Raad in HR 25 april 2008,NJ 2008/262 (Frieslandhal) niet de hem geboden mogelijkheid (zie onderdeel 5 van het cassatiemiddel) aangegrepen om te oordelen dat bij de kwalitatieve aansprakelijkheid voor kinderen die de leeftijd van veertien jaren nog niet hebben bereikt (art. 6:169 BW) niet beperkt dient te worden toegerekend.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 (X/NAM), rov. 2.4.2.
Bloembergen 1965, nr. 131 onder c.
Klaassen 2007, p. 54, 55. Klaassen 2017, nr. 38 is minder uitgesproken.
Schut 1978, p. 402.
Nieuwenhuis 2002, p. 1730. Ter onderbouwing van dit sweeping statement wees Nieuwenhuis, enigszins mager, slechts op één uitspraak van het House of Lords waarin wordt geoordeeld dat naar vaste rechtspraak de “intentional wrongdoer” zich niet erop kan beroepen dat de veroorzaakte schade niet redelijkerwijs voorzienbaar was.
Hijma 2002, p. 80, 81.
Opmerking verdient dat Hartkamp en Sieburgh betogen dat schuld als toerekeningsgrond bij de onrechtmatige daad subjectief dient te worden opgevat. Indien zich slechts objectieve schuld laat vaststellen, dan kan volgens hen de onrechtmatige daad niet worden toegerekend op de grond dat zij aan de schuld van de laedens te wijten is (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 106). Toepassing van Brunners deelregels doet dan de vraag rijzen of bij objectieve schuld minder dient te worden toegerekend dan bij subjectieve schuld. Mijns inziens bestaat er geen reden om op dit stuk bij de schadetoerekening allerlei nuances te gaan maken.
Bloembergen 1965, nr. 130 sub e.
Boonekamp 2002, p. 41.
Giesen 2002, p. 448, 449; Giesen 2008, p. 563-565.
Hartlief 2002, p. 11.
Klaassen 2017, nr. 38. Zie ook: Klaassen 1991, p. 282 en Klaassen 1996, p. 229.
Van Schellen 1985a, nr. 168 e.v.
Van Schellen 1979, p. 354.
Brunner 1981a, p. 215, 216.
Langemeijer 1981, p. 118.
Neleman 1987, p. 49.
Nieuwenhuis 1983, p. 581, en zie ook nog Nieuwenhuis 2013, p. 129.
Sterk 1994, p. 272 e.v.
Tegen welke schade de diverse kwalitatieve aansprakelijkheden beogen te beschermen, wordt in § 7.4 ingegaan.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 (X/NAM), rov. 2.4.2.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 647 (T.M.).
Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 199. Zie ook: Parl. Gesch. Boek 6, p, 712 e.v. 719 e.v. en 728 e.v.
231. De mate van schuld van de laedens is de relevante factor bij de tweede deelregel in het kader van de aard van de aansprakelijkheid:
Aansprakelijkheid zonder schuld geeft in beginsel aanleiding tot een beperkte toerekening van schade. Naarmate de schuld aan het schadeveroorzakend gebeuren zwaarder is, is ruimere toerekening van schade meer gerechtvaardigd.1
Brunner was overigens over de toerekening van schade bij kwalitatieve aansprakelijkheid opvallend genuanceerd:
“Men trekke (…) niet de conclusie, dat risicoaansprakelijkheid moet leiden tot een beperkte toerekening van schade. De strekking van de bepaling waarbij risicoaansprakelijkheid werd geïntroduceerd, kan immers heel goed een ruime toekenning van schade meebrengen.”2
232. In de rechtspraak van de Hoge Raad komt over de betekenis van de mate van schuld voor de toerekenbaarheid van schade, het volgende naar voren. In 1975 oordeelde de Hoge Raad in Amercentrale3 over de kwalitatieve aansprakelijkheid van de eigenaar van een bouwwerk zoals neergelegd in art. 1405 (oud) BW:
“dat (…) het voor ons recht uitzonderlijk karakter van deze aansprakelijkheid, verbonden aan het in eigendom hebben van een bouwwerk, voor zonder schuld veroorzaakte schade grond geeft voor die aansprakelijkheid een nauwer verband tussen de schade en de gebeurtenis die daartoe de aanleiding gaf – de gehele of gedeeltelijke instorting van een gebouw – te verlangen dan bij toepassing van art. 1401 kan worden geëist; (…) dat (…) de uit art. 1405 voortvloeiende aansprakelijkheid moet worden beperkt tot die vormen van schade welke als typische gevolgen van de instorting van het desbetreffende gebouw kunnen worden beschouwd en mitsdien behoren tot het normale voor een eigenaar aan een dergelijke gebeurtenis verbonden risico”.
Dat in het geval van aansprakelijkheid zonder schuld minder ruim zou moeten worden toegerekend, heeft de Hoge Raad na Amercentrale niet herhaald.4
Inmiddels heeft de Hoge Raad in zijn antwoorden op prejudiciële vragen in verband met de Groningse gaswinning geoordeeld dat voor de kwalitatieve aansprakelijkheden niet geldt dat zij slechts een beperktere toerekening rechtvaardigen; beslissend is in plaats daarvan de aard en strekking van de desbetreffende kwalitatieve aansprakelijkheid:
“De aard van de aansprakelijkheid is een van de gezichtspunten die worden betrokken bij het bepalen van de omvang van een wettelijke schadevergoedingsverplichting. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die berust op een risicoaansprakelijkheid, in het algemeen kleiner of juist groter is dan die van een verplichting tot vergoeding van schade die berust op art. 6:162 BW. Welke gevolgen het heeft voor de omvang van de schadevergoedingsverplichting dat zij berust op een risicoaansprakelijkheid, hangt af van de aard en strekking van de desbetreffende risicoaansprakelijkheid.”5
Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onrechtmatig handelen met grove schuld een ruimere toerekening rechtvaardigt.
In X/Hoogheemraadschap Rijnland6 oordeelde de Hoge Raad: “de omstandigheid dat X. met grove schuld onrechtmatig heeft gehandeld [rechtvaardigt] een ruimere toerekening dan waarvoor aanleiding is bij minder verwijtbaar handelen.”
233. Naar mijn mening is juist dat in het geval van opzet of grove schuld, onder omstandigheden, ruimer kan worden toegerekend. In hoofdstuk 16 zal ik dit nader uitwerken. De mate van schuld heeft mijns inziens voor het overige geen betekenis voor de toerekenbaarheid van schade. In het navolgende werk ik dit eerst uit voor de normschendende gedragingen en vervolgens voor de kwalitatieve aansprakelijkheden.
De mate van schuld aan normschendende gedragingen
234. Is voor de schadetoerekening van belang de mate van schuld aan de gedraging? In de literatuur bestaat over het antwoord op deze vraag, toegespitst op de situatie van de onrechtmatige daad, verschil van mening.
Enerzijds hebben Bloembergen en Klaassen op deze vraag een ontkennend antwoord gegeven. Bloembergen was van mening dat met de zwaarte van de schuld in het algemeen geen rekening gehouden diende te worden bij toerekening van schade. Wel zou volgens hem de schuldgraad in het kader van de matiging van de schadevergoeding eventueel een rol kunnen spelen. Slechts indien sprake is van opzettelijk toegebrachte schade bestond volgens Bloembergen aanleiding ruimer toe te rekenen. Bloembergen voorzag zijn standpunt niet van argumentatie.7 Klaassen schreef dat de mate van schuld niet tot beperkter toerekenen van schade kan leiden, maar wel een argument voor ruimere toerekening kan zijn. Volgens Klaassen is gevoelsmatig weinig tegen Brunners deelregel in te brengen. Niettemin meende zij dat waar eenmaal sprake is van een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis, het uitgangspunt is dat de volledige schade dient te worden vergoed en een geringe mate van verwijtbaarheid niet een beperkende factor kan zijn bij de toerekening. Ook Klaassen was van opvatting dat de mate van schuld in het kader van de matiging wel een rol zou kunnen spelen.8 Anderzijds lijken Schut, Nieuwenhuis en Hijma uit te gaan van het door Brunner genoemde meer-minderverband. Schut schreef dat waar de zwaarste vorm van schuld kan meewegen bij de toerekenbaarheid van schade, niet valt in te zien waarom dat voor lichtere vormen van schuld anders zou zijn.9 Nieuwenhuis wees op het “wereldwijd gedeelde gezichtspunt dat hoe zwaarder de schuld is, des te gemakkelijker het valt om de schade aan de dader toe te rekenen”.10 Hijma schreef dat door onder meer de mate waarin en de wijze waarop de onrechtmatige daad kan worden toegerekend – Hijma noemde dat de “toerekeningsintensiteit” – te bezien, de “ontstane schadevergoedingsverbintenis zo nodig tot een rechtens passende maat terug[gesneden]” kan worden.11
De gedachte dat naarmate de schuld van de laedens groter is, meer veroorzaakte schade kan worden toegerekend, en – omgekeerd – minder veroorzaakte schade kan worden toegerekend naarmate minder schuld bestaat, lijkt aan te sluiten bij de basale notie dat consequenties die aan een wandaad verbonden dienen te worden in een zekere verhouding tot de ernst van die wandaad dienen te staan (‘oog om oog, tand om tand’). Mijns inziens heeft deze notie echter geen betekenis voor de toerekenbaarheid van schade. In hoofdstuk 7 zal ik uiteenzetten dat bij de toerekening van schade in de eerste plaats de met de norm beoogde bescherming van belang is. Indien met de norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, dient de veroorzaakte schade te worden toegerekend. De mate van schuld aan de normschending doet dan naar ik meen niet ter zake. Kan niet worden vastgesteld dat met de geschonden norm ook beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, dan komt groot belang toe aan de vraag of de schade zoals geleden past bij de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen. Waar het primaat voor de schadetoerekening bij het doel van de geschonden norm en het beschermingsbereik daarvan komt te liggen, bestaat er mijns inziens nog weinig ruimte om, wat Hijma noemde, de toerekeningsintensiteit mee te laten spelen. In het bijzonder doet mijns inziens voor de schadetoerekening niet ter zake de omstandigheid dat een onrechtmatige daad of wanprestatie niet op grond van schuld, maar slechts op grond van de wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen kan worden toegerekend.12 Ik heb geen jurisprudentie gevonden die mij aanleiding gaf hier anders over te denken. Veelzeggend is mijns inziens dat geen enkele auteur die heeft bepleit om de mate van schuld, of de toerekeningsintensiteit, wel van belang te laten zijn, zich op jurisprudentie of een casus heeft beroepen waaruit dat belang zou blijken. De opvatting van Bloembergen en Klaassen houd ik aldus voor juist.
Kwalitatieve aansprakelijkheid
235. In de literatuur wordt ook (nog) verschillend gedacht over het antwoord op de vraag of voor de schadetoerekening van belang is het gegeven dat aansprakelijkheid bestaat vanwege een bepaalde kwaliteit van de laedens (zoals geregeld in art. 6:169 t/m 6:179 BW).
Bloembergen, Boonekamp, Giesen, Hartlief, Klaassen, Van Schellen en Spier hebben bestreden dat het enkele gegeven dat sprake is van kwalitatieve aansprakelijkheid op zichzelf reden is beperkter toe te rekenen. Bloembergen verdedigde in zijn dissertatie, ruim voordat Amercentrale gewezen werd, dat bij de toerekening van schade niet van belang dient te zijn of sprake is van kwalitatieve aansprakelijkheid.13 Boonekamp lijkt Amercentrale achterhaald te vinden.14 Giesen wees erop dat diverse kwalitatieve aansprakelijkheden juist zijn bedoeld om, vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming, vergoeding van schade te vereenvoudigen en die ratio niet door beperktere toerekening mag worden beknot.15 Hartlief schreef dat kwalitatieve aansprakelijkheid al lang niet meer een uitzonderlijke vorm van aansprakelijkheid is. Leidraad dient volgens hem de strekking van de betrokken aansprakelijkheid te zijn. Waar de kwalitatieve aansprakelijkheid is gericht op bescherming van lijf en goed, ligt zijns inziens voor de hand om wel beperkter toe te rekenen bij bijzondere vormen van zaakschade of zuivere vermogensschade.16 Klaassen achtte geen goede grond aanwezig om bij de toerekening van schade onderscheid te maken tussen aansprakelijkheid gebaseerd op schuld en kwaliteit en ook niet om in het laatste geval beperkter toe te rekenen.17 Van Schellen wees erop dat kwalitatieve aansprakelijkheid niet bijzonder meer is en de met deze aansprakelijkheden beoogde slachtofferbescherming niet doorkruist dient te worden,18 en dat bovendien het aanvaarden van speciale regels voor toerekening bij kwalitatieve aansprakelijkheid leidt tot nodeloze fragmentatie van de dogmatiek.19 Spier schreef dat de enkele omstandigheid dat het om een kwalitatieve aansprakelijkheid gaat, niet zonder meer een argument oplevert voor beperking van de toerekening20 en dat “naar meer gangbare opvattingen (…) schade niet licht buiten de toerekeningsboot (van art. 6:98 BW) [zal] vallen. Ook (zelfs) niet wanneer sprake is van een risico-aansprakelijkheid”.21 Brunner meende, als gezegd, in weerwil van de uitleg die later aan zijn deelregels gegeven werd, dat risicoaansprakelijkheid op zichzelf niet tot beperktere toerekening diende te leiden, maar steeds gekeken diende te worden naar het doel en de strekking van de bepaling.22
In vooral oudere literatuur is door Langemeijer,23 Neleman,24 Nieuwenhuis25 en Sterk26 op grond van met name Amercentrale betoogd dat in het algemeen in het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid beperkter dient te worden toegerekend. Deze auteurs meenden dat elke kwalitatieve aansprakelijkheid zo’n uitzonderlijk karakter had dat slechts beperktere toerekening kon worden gerechtvaardigd. Hartkamp en Sieburgh bevonden zich aanvankelijk ook in dit kamp, maar hun opvatting is sinds 2009 aan het verschuiven. In 2009 beoogden zij onder verwijzing naar Amercentrale dat het ‘voor ons recht uitzonderlijke karakter’ van kwalitatieve aansprakelijkheden rechtvaardigt om een nauwer verband te verlangen en daarmee een beperktere toerekening, zij het dat hierop volgens hen een uitzondering moet worden gemaakt wanneer de kwalitatieve aansprakelijkheid uitdrukkelijk strekt tot een ruime toerekening.27 In 2013 beoogden zij dat op genoemde regel “in elk geval” laatstgenoemde uitzondering gemaakt dient te worden.28 In 2017 benadrukte Sieburgh dat “onder het oude recht” is geoordeeld dat kwalitatieve aansprakelijkheid een uitzonderlijk karakter had en dat de regel dat bij kwalitatieve aansprakelijkheid een nauwer verband is vereist niet “onverkort opgaat”.29
236. Het standpunt dat louter omdat de laedens vanwege een bepaalde kwaliteit van hem aansprakelijk is en geen schuld heeft, veroorzaakte schade beperkter dient te worden toegerekend, kan mijns inziens als verouderd en onjuist worden beschouwd. De regel uit Amercentrale berust op het uitzonderlijke karakter van de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 1405 (oud) BW. In ons huidige burgerlijk wetboek is mijns inziens van zo’n bijzonder karakter van kwalitatieve aansprakelijkheid geen sprake meer. Onderkend is integendeel dat bepaalde kwalitatieve aansprakelijkheden nauw samenhangen met aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.30 Naar ik meen, verlangen de hanteerbaarheid en consistentie van het recht om bij aansprakelijkheid vanwege een kwaliteit schade op eenzelfde wijze toe te rekenen als bij aansprakelijkheid vanwege het schenden van een norm. Ook in het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid ligt bij de schadetoerekening het primaat bij de schade waartegen met de kwalitatieve aansprakelijkheid beoogd wordt te beschermen, en komt het bij de schadetoerekening mijns inziens in de eerste plaats erop aan of juist die schade is veroorzaakt of dat de veroorzaakte schade daarmee voldoende gelijkenis vertoont.31 Naar ik meen sluit de in X/NAM32 door de Hoge Raad naar voren gebrachte opvatting hierbij aan.
In verband met de verschillende kwalitatieve aansprakelijkheden voor personen kunnen bovendien aan het samenlopen van de aansprakelijkheid van degene voor wie kwalitatieve aansprakelijkheid bestaat en de aansprakelijkheid van de kwalitatief aansprakelijke, nog de volgende argumenten worden ontleend. Het niet als onrechtmatige daad kunnen toerekenen van een gedraging van kinderen onder de veertien jaar (art. 6:169 lid 1 BW) wordt mede gerechtvaardigd op de grond dat de ouders voor de gedragingen van zo’n kind kwalitatief aansprakelijk zijn.33 Dit gegeven is mijns inziens temeer reden om waar ouders voor kinderen van deze leeftijd kwalitatief aansprakelijk zijn, niet beperkter toe te rekenen. In het geval van de art. 6:170 BW-aansprakelijkheid voor ondergeschikten geldt mijns inziens dat bij de aansprakelijkheid van de werkgever in beginsel ten minste dezelfde schade kan worden toegerekend als bij de aansprakelijkheid van de werknemer. Op grond van art. 6:170 lid 3 BW wordt namelijk in de onderlinge verhouding tussen werkgever en werknemer de schade in beginsel, en behoudens opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, geheel bij de werkgever gelegd. Hierbij zou niet aansluiten om bij de aansprakelijkheid van de werkgever minder schade toe te rekenen dan bij aansprakelijkheid van de werknemer: de werknemer heeft voor dat meerdere dan geen verhaal op de werkgever. In het algemeen lijkt mij daarvoor geen rechtvaardiging te bestaan. De kwalitatieve aansprakelijkheid voor de niet-ondergeschikte (art. 6:171 BW) wordt erdoor gerechtvaardigd dat de eenheid van onderneming ertoe leidt, zoals Hartkamp en Sieburgh het formuleren, dat “[v]anuit de benadeelde bezien [de keuze van de opdrachtgever om werkzaamheden al dan niet uit te besteden] een toevallige omstandigheid [is], waarvan zijn rechtspositie niet afhankelijk mag zijn, temeer daar voor hem moeilijk kan zijn aan te tonen door wie van verschillende door de wederpartij ingeschakelde personen schade is toegebracht”.34 Deze gedachte doet ook voor de hand liggen de opdrachtgever tot hetzelfde bedrag aansprakelijk te houden als de niet-ondergeschikte.
237. Naast de in de wet geregelde kwalitatieve aansprakelijkheden, is het mogelijk dat een onrechtmatige daad in het maatschappelijk verkeer als een onrechtmatige daad van een ander dan de feitelijke pleger van de daad heeft te gelden.35 Ook in zo’n geval heeft degene aan wie de daad van een ander wordt toegerekend feitelijk geen schuld. Wel wordt met de fictie gewerkt dat de daad van de één (ook) als de daad van een ander heeft te gelden. Mijns inziens ligt voor de hand om ook bij de schadetoerekening van die fictie uit te gaan. Als uitgangspunt kunnen dan de gewone regels voor de schadetoerekening worden gevolgd.