Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.5.2
3.3.5.2 De beoordelingsruimte van de Ondernemingskamer
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467953:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 april 2003, NJ 2003, 286, r.o. 3.10 (RNA, m.nt. Maeijer). Vergelijk ook r.o. 3.13 – ‘Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de Ondernemingskamer haar oordeel mede mocht baseren op hetgeen voorts in de procedure was gesteld en gebleken.’ – en r.o. 3.21 uit de onderhavige beschikking van de HR. Zie over deze kwestie ook Thierry 2003.
HR 31 mei 2000, JOR 2000, 149 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or).
Vergelijk de conclusie (overweging 3.1.1.1) van A-G Mok bij HR 31 mei 2000, JOR 2000, 149 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or).
75. Rodamco North America (RNA); Vie d’Or . In het bovenstaande is reeds uiteengezet dat de Ondernemingskamer in haar oordeelsvorming niet is gebonden aan de bevindingen en conclusies van de onderzoeker(s). Bovendien hoeft de Ondernemingskamer haar oordeel niet uitsluitend te baseren op hetgeen uit het onderzoek is gebleken. De Hoge Raad oordeelt in de beschikking inzake RNA dat de enkele omstandigheid dat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden ‘buiten de periode waarover het onderzoek zich uitstrekte, niet mee[brengt] dat de Ondernemingskamer daarmee geen rekening had moeten houden. Voor een juiste waardering en beoordeling van hetgeen zich in de onderzoeksperiode heeft afgespeeld kunnen immers ook gebeurtenissen die zich daarna hebben voorgedaan en waarover partijen zich hebben uitgelaten of hebben kunnen uitlaten, van belang zijn en daarom in aanmerking worden genomen.’1 Dat de beoordelingsvrijheid van de Ondernemingskamer in ander opzicht belangrijk beperkt is, blijkt uit de beschikking van de Hoge Raad van 31 mei 2000 inzake Vie d’Or2 De procureur-generaal heeft de Ondernemingskamer gevraagd om vast te stellen dat op een aantal punten van wanbeleid is gebleken. De Ondernemingskamer geeft hieraan aldus gevolg, dat zij als wanbeleid wraakt (A) het handelen van de Verzekeringskamer in verband met de op 20 december 1993 door Merrill Lynch gedane opzegging van haar contracten met Vie d’Or en (B) het handelen van de Verzekeringskamer in verband met de afrekening door Merrill Lynch van haar contracten met Vie d’Or.3 De Verzekeringskamer stelt in cassatie dat de Ondernemingskamer met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De Hoge Raad volgt de Verzekeringskamer in dit betoog: ‘Het desbetreffende rekest laat geen andere conclusie toe dan dat de PG niet in zijn vordering heeft opgenomen dat de Verzekeringskamer onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot de afrekening van de ML-contracten. De Ondernemingskamer is door desondanks het oordeel te geven dat de Verzekeringskamer te dezer zake onzorgvuldig heeft gehandeld, buiten de rechtsstrijd getreden.’ (rechtsoverweging 3.4.1)