Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.2.2.1
11.2.2.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298014:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 februari 2003, NJ 2003/272, rov. 3.3.1 en HR 7 december 2012, NJ 2013/571 (Prorail/Rijswijk Wonen), rov. 3.4.
Zie bijvoorbeeld Beekhuis 1972, p. 18; van der Grinten 1971, p. 233.
HR 15 november 1991, NJ 1993/316 (Dépex/Curatoren Bergel c.s.). Dit arrest had betrekking op de vraag of een roerende zaak bestanddeel was geworden van een onroerende zaak, maar wordt ook toegepast voor de vraag of een roerende zaak bestanddeel is geworden van een andere roerende zaak; zie in deze zin bijvoorbeeld Snijders & Rank-Berenschot 2017, para. 37.
HR 7 december 2012, NJ 2013/571 (Prorail/Rijswijk Wonen).
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 67; van der Plank 2016, p. 125.
Wichers 2002, p. 81.
447. Om te bepalen of iets naar verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt – en daarmee dus een bestanddeel van die zaak is – kunnen alle omstandigheden van het geval relevant zijn.1 In het verleden is daarom wel gesteld dat de enkele verwijzing naar de verkeersopvatting weinig houvast biedt om te bepalen of iets een bestanddeel is.2 In de jurisprudentie is inmiddels een drietal aanwijzingen ontwikkeld om de verkeersopvatting in te vullen. Uit het arrest Dépex/Curatoren Bergel c.s. volgt dat gekeken moet worden naar de (in)compleetheid van de zaak zonder de toegevoegde zaak en naar de constructieve afstemming tussen de zaak en de toegevoegde zaak.3 Uit het arrest Prorail/Rijswijk Wonen volgt dat daarnaast in sommige gevallen gekeken dient te worden naar de vraag of de toegevoegde zaken een tijdelijke hulpfunctie vervullen.4 Deze drie aanwijzingen zijn geen harde criteria; ze dienen slechts ter ondersteuning bij het bepalen of er sprake is van een bestanddeel of niet.5 Is een zaak incompleet zonder de toegevoegde zaak, zijn de beide zaken op elkaar afgestemd en vervult de toegevoegde zaak géén tijdelijke hulpfunctie, dan zijn dat aanwijzingen dat de toegevoegde zaak een bestanddeel is. In de literatuur worden ook andere aanwijzingen genoemd, waarvan niet zeker is dat rechters deze ook toepassen bij het toepassen van art. 3:4 lid 1 BW, zoals het feit dat de hoofdzaak en toegevoegde zaak aparte namen hebben, of dat er sprake is van een specifiek karakter van de zaak dat ervoor zorgt dat er wel of niet sprake is van eenheid, of dat de combinatie van de twee zaken een economische meerwaarde heeft boven de losse twee zaken.6 Deze laatste aanwijzing ligt volgens mij al besloten in de vraag naar de (in)compleetheid van de zaak zonder de toegevoegde zaak en de constructieve afstemming tussen de zaak en de toegevoegde zaak.