Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.3.1
VI.3.1 Algemeen
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178793:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de regels van samenloop § IX.2.1 slot en § X.2.3.
Timmerman 1991, p. 76, Kortmann 1992, p. 91, Klein Wassink 2012, p. 107, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17.5, p. 320-321, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/324, Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/94, GS Rechtspersonen/Huizink 2018, art. 2:14 BW, aant. 13.3 en Van Helden 2018, p. 747-748.
Anders: Slagter 1992, p. 3.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv 3, 5 en 6), p. 1174 (MvT Inv en MvA II Inv), Asser/Sieburgh 6-III 2018/665 en GS Vermogensrecht/Peter 2018, art. 3:58 BW, aant. 8.
Vrij naar Hof ’s-Hertogenbosch 18 juni 1990, NJ 1991/32 (Tapper), waarover meer hierna onder § 3.4.
HR 28 november 2014, JOR 2015/26, m.nt. Kortmann (Snippers q.q./Rabobank Noord Gooiland), rov. 3.6.3 t.a.v. rechtshandelingen in het algemeen.
Dumoulin 1999, p. 147-148.
Zie Asser/Sieburgh 6-III 2018/663: ‘Wie als ‘onmiddellijk belanghebbenden die op het gebrek een beroep kunnen doen’ worden aangemerkt, hangt af van de aard van de rechtshandeling (…).’
Zie Hof Arnhem 10 oktober 2006, JOR 2007/31, m.nt. Groffen (Avonturenpark Hellendoorn), rov. 4.12.
Zo ook Klein Wassink 2012, p. 108. Impliciet anders: Timmerman 1991, p. 76.
Vgl. Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/94.
Voldoet een rechtshandeling ten tijde van het verrichten ervan niet aan de wettelijke eisen, dan is zij bekrachtigd indien dat ontbrekende vereiste alsnog vervuld raakt. Wel moeten alle onmiddellijk belanghebbenden de rechtshandeling in de tussentijd als geldig hebben aangemerkt en moeten de rechten van derden worden geëerbiedigd. Art. 3:58 BW – dat een en ander voor het vermogensrecht regelt – kan verlichting brengen ook wanneer een besluit nietig is. Geschakeld door art. 3:59 BW vormt de bepaling een nuttige aanvulling op het kleingeestige art. 2:14 lid 2 BW.
Overigens biedt wet noch wetsgeschiedenis steun aan de gedachte dat art. 2:14 lid 2 BW een lex specialis zou zijn die toepassing van art. 3:58 BW uitsluit.1 Gelet op het uitgangspunt van cumulatie gelden beide bepalingen dus naast elkaar,2 zoals thans in de literatuur breed aanvaard.3 Bovendien valt niet in te zien dat bekrachtiging buiten de gevallen van art. 2:14 lid 2 BW ongewenste gevolgen zou hebben.4 Voor zover een besluit al derden buiten de rechtspersoon raakt, zullen dezen veelal juist bij de bekrachtiging zijn gebaat; de bekrachtiging verhelpt immers een gebrek in het besluit dat hen potentieel (denk aan art. 2:16 lid 2 BW) treft. Datzelfde geldt ook voor insiders, die in de regel wel zullen varen bij een bekrachtiging. Denk bijvoorbeeld aan de bestuurder wiens bezoldiging door het verkeerde orgaan is vastgesteld of degene die aandeelhouder is geworden bij een emissie waarbij het bestuur de aan hem verleende delegatie overschreed.
Voor zover niettemin de bekrachtiging afbreuk doet aan inmiddels verworven rechten, moeten deze rechten worden gerespecteerd of zullen deze onder omstandigheden aan bekrachtiging in de weg staan (art. 3:58 lid 3 BW).5 Zie ik het goed, dan doen zulke rechten zich bij nietige besluiten niet al te vaak voor. Puur academisch laat zich wel denken dat het bestuur van een rechtspersoon bij direct extern besluit het aanbod aanvaardt om een pand te kopen. Zou nu dat besluit nietig zijn maar later worden bekrachtigd, dan verkrijgt de rechtspersoon het pand bezwaard met een in de tussentijd gevestigd hypotheekrecht.6 Een ander, wellicht iets prozaïscher voorbeeld:7 stel dat een bestuurder van een NV door de raad van commissarissen wordt ontslagen – oftewel door het verkeerde orgaan – maar later bekrachtigt de algemene vergadering dat nietige ontslagbesluit.8 Heeft de bestuurder in de tussenliggende periode recht op loon, aangenomen dat zijn arbeids- of managementovereenkomst met terugwerkende kracht aan de Unidek-doorschakeling ten prooi is gevallen? Art. 3:58 lid 3 BW antwoordt bevestigend. Al met al is er geen reden toepassing van art. 3:58 BW op besluiten categorisch te ontkennen.
Dat laatste wil dan weer niet zeggen dat art. 3:58 BW altijd en overal van pas komt. Het nietige besluit komt enkel voor bekrachtiging in aanmerking, indien alle onmiddellijk belanghebbenden het als geldig hebben aangemerkt. Anders dan bij art. 2:14 lid 2 BW, waar slechts de gepasseerde ander bekrachtiging kan tegenhouden, heeft dus een ruime kring van betrokkenen invloed. Maar de eis van art. 3:58 BW is niet zo streng als hij schijnt. In de eerste plaats volstaat het als geen van de belanghebbenden zich op de nietigheid heeft beroepen of zich heeft gedragen alsof het besluit nietig was. Het dus niet nodig, zo overwoog de Hoge Raad recentelijk, dat betrokkenen het besluit actief als geldig hebben aangemerkt.9 Een stilzitten voldoet. Aan de andere kant suggereert tegenstemmen of afwezigheid ter vergadering nog niet dat een besluit voor ongeldig wordt gehouden.10 In de tweede plaats geldt niet iedereen in en rondom de rechtspersoon als belanghebbende. Wiens belang er slechts uit bestaat dat ‘de regels bij besluitvorming moeten worden nageleefd’, valt mijns inziens hierbuiten. De betrokkene moet een belang hebben dat hem van de willekeurige ander onderscheidt; zijn belang moet ‘onmiddellijk’ zijn.11 Gezien art. 3:59 BW legitimeert de (in potentie) ongerichte aard van het besluit ertoe deze eis streng op te vatten.12 Maar zelfs dan vormt de eis dat alle onmiddellijke belanghebbenden van de geldigheid moeten zijn uitgegaan, een stevige beperking van de mogelijkheden om nietige besluiten te bekrachtigen.
Hoe dan ook, bekrachtiging ex art. 3:58 BW treedt in wanneer alsnog wordt voldaan aan een geldigheidsvereiste. Denk aan een besluit genomen door iemand die pas kort daarna tot bestuurder wordt benoemd.13 Als een niet-aandeelhouder ten onrechte aan een besluit van de algemene vergadering heeft meegewerkt, terwijl diens stemmen beslissend waren en het besluit tot stand brachten, is het besluit nietig.14 Maar wordt diegene later alsnog aandeelhouder, dan is het besluit geheeld. Het besluit komt alsnog te rusten op de in art. 2:120/230 lid 1 BW vereiste meerderheid. Hoewel art. 3:58 BW naar de letter op wettelijke geldigheidsvereisten ziet, moeten daaronder gezien art. 3:59 BW de statuten van een rechtspersoon worden begrepen.15 Zogezegd strekken de statuten, waarvan de schending tot een nietig besluit voert, binnen de rechtspersoon tot wet. Voor legisme is hier geen reden. Een ruime interpretatie voorkomt bovendien lastige afbakeningsvragen: wat te denken over de bekrachtiging van een besluit genomen zonder dat is voldaan aan een krachtens de wet (art. 2:120/230 lid 2 BW) in de statuten opgenomen quorum? Of van de emissiebesluit in strijd met het in de statuten opgenomen maatschappelijk kapitaal?16