De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.2.1:5.2.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.2.1
5.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949526:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leraar werkt in een krachtenveld met verschillende andere actoren, waaronder de leerling en zijn ouders, het bevoegd gezag en de overheid. De autonomie van de leraar wordt beïnvloed door de relaties die hij heeft met deze actoren. Volgens Rux speelt het werk van de leraar zich af in een driehoeksverhouding met het schoolbestuur, de overheid en de leerling en zijn ouders.1 De autonomie van de leraar heeft volgens hem twee dimensies: 1) de leraar met autonomie in relatie tot de leerling die leert en 2) de leraar met autonomie in relatie tot het bevoegd gezag in verband met het institutionaliseren van dit leren.2 In deze driehoeksverhouding tussen de leraar, de leerling en zijn ouders én het bevoegd gezag en de Staat, staat de leraar centraal. Het is de taak van de leraar om de educatieve missie van het bevoegd gezag te realiseren en daarmee de basis te leggen voor de ontwikkeling van zijn leerlingen. Tevens wordt via de leraar de grondwettelijke opdracht van de Staat om onderwijs te verzorgen gerealiseerd.
In deze paragraaf wordt beschreven hoe de leraar met autonomie zich verhoudt tot de leerling en zijn ouders. Om de rol van de leraar in relatie tot de leerling en zijn ouders te schetsen wordt eerst uiteengezet waaraan de leraar zijn gezag ten opzichte van de leerling en zijn ouders ontleent. Vervolgens wordt ingegaan op de leraar in verhouding tot de ouders van een minderjarige leerling en op de verhouding van de leraar tot een meerderjarige leerling. Ten slotte wordt kort de rechtsverhouding tussen het bevoegd gezag en de leerling geschetst.