Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.6.3.1
7.6.3.1 Gegevens vastgelegd voor toezichtsdoeleinden
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497089:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gegevens kunnen worden omschreven als bekende feiten waaruit gevolgen kunnen worden getrokken (zie Van Dale (digitaal). Zie over het begrip gegevens nader § 13.6.3.2 hierna.
Het hier gemaakte onderscheid tussen documenten en gegevens is in zoverre oneigenlijk, dat documenten gegevens plegen te bevatten. Een vordering tot medewerking kan echter zien op het verstrekken van specifieke gegevens, dat wil zeggen met voorbijgaan aan de documenten waarin die zijn vastgelegd. Vgl. omzetgegevens, een opgaaf van bezittingen en schulden, kosten et cetera.
A-G Knigge, conclusie bij HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes); AB 2007/2 (m.nt. Jongma), pt. 83-84.
Zie § 7.3.4.3 hiervoor.
Zie hoofdstuk 12 hierna.
Een voor de handhavingspraktijk belangrijke vraag is of de verstrekking van gegevens1 die specifiek voor toezichtsdoeleinden (verplicht) zijn vastgelegd (in documenten of anderszins)2, aan de nemo tenetur-problematiek raakt. De handhaving van vooral bijzondere wetgeving en ordeningswetgeving op het gebied van belastingen en sociale zekerheid, milieu, de integriteit van de financiële sector et cetera, kan serieus worden gefrustreerd, wanneer gegevens die de verdachte voor toezichtsdoeleinden (verplicht) heeft vastgelegd, nemo tenetur-bescherming hebben.
Goed voorstelbaar is dat de gedwongen verstrekking van gegevens die de verdachte voor toezichtsdoeleinden heeft vastgelegd, niet of minder (snel) aan de nemo tenetur-problematiek raakt dan geldt voor gegevens die hij (on)verplicht voor andere doeleinden heeft vastgelegd. Zie bijvoorbeeld Knigge, die niet uitsluit dat het permanent registreren van gegevens voor toezichtsdoeleinden, tot gevolg heeft dat het punitief bewijsgebruik van die gegevens niet met nemo tenetur in strijd komt. Een registratieplicht voor toezichtsdoeleinden staat los van de verdenking van enig strafbaar feit. Hij wijst erop dat de zaken Funke en J.B. documenten betroffen die de klagers voor eigen gebruik onder zich hadden. Het afstaan van die documenten oefende meer dwang uit op klagers dan het moeten afstaan van documenten die (eerder) voor toezichtsdoeleinden zijn opgesteld en – zo voeg ik hieraan toe – waarvan de autoriteiten het bestaan (dus) redelijkerwijs mogen aannemen. De verplichting van Funke en J.B. om de documenten te verstrekken, raakte direct aan hun verdedigingspositie. Er was immers al sprake van een verdenking (en met het oog op de vervolging van die feiten).3
Ik teken hierbij aan dat uit de arresten niet volgt dat het Hof belang hecht aan de omstandigheid dat de van klagers gevorderde documenten niet voor toezichtsdoeleinden waren vervaardigd (zodat de Franse en Zwitserse autoriteiten het bestaan ervan mochten aannemen). Dit laatste is ook te zeggen over de latere zaak Chambaz, zij het dat in die zaak de onzekerheid over het bestaan van de gevorderde documenten kennelijk niet speelde.4
Onderscheid pre-‘charge’- en ‘charge’-fase
Bovendien lijkt Knigges zienswijze (mede) ingegeven door het (publieke) belang van een adequate rechtshandhaving. In hoofdstuk 8 zal nog blijken dat het Hof van opvatting is dat van een behoorlijke wetsuitvoering weinig terecht zou komen, wanneer het recht tegen gedwongen zelfbelasting (als weigeringsgrond voor medewerking) ook vóór het aanvangsmoment van de criminal charge zou gelden. Echter, het Hof is niet geneigd om deze lijn door te trekken naar de ‘charge’-fase, wanneer nalevingstoezicht overgaat in repressief onderzoek. Na het aanvangsmoment van de criminal charge lijkt het toch vooral de kant van de verdachte te kiezen.5
Hier wreekt zich dat de opvattingen van het Hof over de gedwongen verkrijging van documentair bewijs van de ‘person charged’ niet zijn uitgekristalliseerd. Voor zover het zich hierover heeft uitgelaten, dan gaat het om onderling vergelijkbare zaken (Funke, J.B. en Chambaz). Bovendien heeft het Hof zich tot op heden niet uitgelaten over de vraag of documenten respectievelijk gegevens die vóór het aanvangsmoment van de criminal charge van de (latere) verdachte worden verkregen (in de zaak Saunders ging het om verklaringen), al dan niet bruikbaar zijn voor het punitief bewijs (vanwege de zogenoemde latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht en het daarop steunende bewijsverbod). Zie daarover het volgende hoofdstuk.