Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.4.1
10.4.1 Inleiding
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491122:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Zie J.E. Jansen 2007 voor een uitgebreide en kritische analyse van de verschillen in de formulering van art. 3:81 lid 3 BW en art. 5:83 BW. Met Jansen ben ik van mening dat de motivering in de parlementaire geschiedenis van de verschillen in de formulering niet kan overtuigen (Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 1053-1054). Jansen noemt als mogelijke onderbouwing voor de afwijkende formulering van art. 5:83 BW dat – anders dan beperkte rechten – persoonlijke gebruiksrechten niet kenbaar zijn uit de openbare registers en dat daarom de erfdienstbaarheid absoluut dient te blijven voortbestaan, zodat derden niet ‘verrast’ kunnen worden door de voortbestaande erfdienstbaarheid (J.E. Jansen 2007, p. 96). Die redenering kan evenmin overtuigen. Een raadpleger van de openbare registers kan uitsluitend zien dat heersend en dienend erf in één hand zijn gekomen. Persoonlijke gebruiksrechten zijn niet inschrijfbaar, en daarom niet kenbaar uit de openbare registers (art. 3:17 lid 2 BW). Als een raadpleger ziet dat heersend en dienend erf in één hand zijn gekomen, en op de erven geen beperkte rechten rusten, dient hij er steeds rekening mee te houden dat een van de erven in gebruik is op grond van een persoonlijk recht. Daarvoor maakt het niet uit of de vermenging niet ten nadele werkt van de gebruiksgerechtigde, of dat de erfdienstbaarheid ‘pas’ eindigt bij het einde van het gebruiksrecht.In een ingeschreven akte kan wel worden vermeld of een erf bij een derde in gebruik is. Een dergelijke vermelding kan bewijsrechtelijk van belang zijn, maar niet voor de werking van art. 5:83 BW.
118. Art. 5:83 BW is van toepassing als het heersende of dienende erf van een erfdienstbaarheid is verhuurd, of een van de erven op grond van een ander persoonlijk gebruiksrecht in gebruik is bij een derde, en vervolgens heersend en dienend erf dezelfde eigenaar krijgen. In beginsel zou de erfdienstbaarheid door vermenging tenietgaan. De erfdienstbaarheid gaat volgens art. 5:83 BW echter ‘pas’ door vermenging teniet bij het einde van het persoonlijke gebruiksrecht.1
De gebruiker van het heersende erf kan van de erfdienstbaarheid blijven profiteren als heersend en dienend erf in één hand komen, en ook als de erven hierna weer in verschillende handen geraken. De gebruiker van het dienende erf dient de erfdienstbaarheid te blijven eerbiedigen wanneer de beide erven in één hand komen, en ook indien de erven hierna weer in verschillende handen geraken.