Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:82 BW:Ingebrekestelling
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:82 BW
Ingebrekestelling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 07-01-2026
Actueel t/m
07-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:82 BW
Zoals al bleek bij de bespreking van de art. 6:74 en 6:81 BW1 volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv dat de schuldeiser die aanspraak maakt op schadevergoeding moet stellen (en zo nodig bewijzen) dat sprake is van verzuim. Aan die stelplicht (en bewijslast) kan hij voldoen door te stellen (en zo nodig te bewijzen) hetzij dat hij de schuldenaar in gebreke heeft gesteld, hetzij dat het verzuim is ingetreden op grond van art. 6:83 BW, hetzij dat op een andere grond het verzuim is ingetreden.2 Volgens de benadering van de sluimerende stelplicht zal in de stelling van de schuldeiser dat de schuldenaar tekort is geschoten, besloten kunnen liggen dat het verzuim is ingetreden (in het bijzonder in het geval van een tekortkoming die bestaat in een ondeugdelijk presteren).3
Schriftelijke aanmaning (lid 1)
Een ingebrekestelling bestaat āĀ behoudens in het geval beschreven in lid 2Ā ā uit een schriftelijke aanmaning waarbij een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. In de eerste plaats volgt daaruit dat het aan de schuldeiser is om, bij voldoende betwisting, zijn stelling dat ingebrekestelling heeft plaatsgevonden te onderbouwen door voldoende nauwkeurig te stellen welk aan de wederpartij verzonden stuk volgens hem aan deze eisen voldoet.4 In de tweede plaats brengt dit uitgangspunt (in samenhang met de ontvangsttheorie van art. 3:37 lid 3 BW) mee dat āĀ bij voldoende betwisting door de schuldenaarĀ ā de schuldeiser niet alleen de verzending maar in beginsel ook de ontvangst van dit geschrift moet bewijzen.5
De vraag of een gestelde termijn in de gegeven omstandigheden redelijk is, is een kwestie van juridische waardering naar aanleiding van de feiten. Op die waardering als zodanig zien stelplicht en bewijslast niet. Indien echter de schuldeiser aanvoert dat de termijn vanwege bepaalde feiten korter mocht zijn dan anders het geval zou zijn geweest (bijvoorbeeld omdat de schuldeiser reeds voorafgaand aan de aanmaning termijnen had gesteld of de schuldenaar had gesommeerd6) en de schuldenaar die feiten betwist, draagt de schuldeiser mede met betrekking tot die feiten de bewijslast (namelijk als deel van het complex van feiten waaruit het intreden van het verzuim volgt).
Uitblijven prestatie (lid 1)
Verzuim ontstaat pas als de prestatie binnen de gestelde termijn is uitgebleven. De schuldeiser kan doorgaans volstaan met de stelling dat de prestatie uitbleef. Mocht de schuldenaar die stelling voldoende onderbouwd betwisten door aan te voeren dat hij binnen die termijn alsnog deugdelijk heeft gepresteerd, dan geldt hetgeen onder art. 6:74 BW ten aanzien van de tekortkoming is opgemerkt.7
Tijdelijke onmogelijkheid of houding waaruit nutteloosheid aanmaning blijkt (lid 2)
HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5122, NJ 2004/411 (Visser/IDM) en HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2742, NJ 1998/897 (Van Rhee/Rabobank). In laatstgenoemd geval (aangetekende verzending) is het bewijs van de āontvangstā dus het bewijs van de aanbieding van de zending. Vgl. Ter Heide, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:37 BW.
Vergelijk HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, NJ 2017/239 (Vano/Foreburghstaete II) met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente van art, 6:119 BW. Wat betreft de vraag of de situatie zich voordoet dat aanmaning nutteloos is, volgt uit het arrest bovendien dat dit uit de proceshouding van de schuldenaar mag worden afgeleid (ondanks de omstandigheid dat die houding dateert van na de dagvaarding). De verklaring voor deze voor de schuldeiser zozeer welwillende uitleg van art. 6:82 lid 2 BW is mogelijk als volgt. Naar oud recht (art. 1286 BW oud) deed de dagvaarding de wettelijke rente lopen. Met art. 6:119 BW bedoelde de wetgever de ingangsdatum van de wettelijke rente te vervroegen (namelijk tot het intreden van het verzuim). Het was dus niet de bedoeling die ingangsdatum te verlaten. Vergelijk P-G Hartkamp, conclusie onder 25 voor HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7928, NJ 2007/154.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:82 BW
Ingebrekestelling
mr. W.L. Valk, actueel t/m 07-01-2026
07-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:82 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 82
Uitgangspunt
Zoals al bleek bij de bespreking van de art. 6:74 en 6:81 BW1 volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv dat de schuldeiser die aanspraak maakt op schadevergoeding moet stellen (en zo nodig bewijzen) dat sprake is van verzuim. Aan die stelplicht (en bewijslast) kan hij voldoen door te stellen (en zo nodig te bewijzen) hetzij dat hij de schuldenaar in gebreke heeft gesteld, hetzij dat het verzuim is ingetreden op grond van art. 6:83 BW, hetzij dat op een andere grond het verzuim is ingetreden.2 Volgens de benadering van de sluimerende stelplicht zal in de stelling van de schuldeiser dat de schuldenaar tekort is geschoten, besloten kunnen liggen dat het verzuim is ingetreden (in het bijzonder in het geval van een tekortkoming die bestaat in een ondeugdelijk presteren).3
Schriftelijke aanmaning (lid 1)
Een ingebrekestelling bestaat āĀ behoudens in het geval beschreven in lid 2Ā ā uit een schriftelijke aanmaning waarbij een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld. In de eerste plaats volgt daaruit dat het aan de schuldeiser is om, bij voldoende betwisting, zijn stelling dat ingebrekestelling heeft plaatsgevonden te onderbouwen door voldoende nauwkeurig te stellen welk aan de wederpartij verzonden stuk volgens hem aan deze eisen voldoet.4 In de tweede plaats brengt dit uitgangspunt (in samenhang met de ontvangsttheorie van art. 3:37 lid 3 BW) mee dat āĀ bij voldoende betwisting door de schuldenaarĀ ā de schuldeiser niet alleen de verzending maar in beginsel ook de ontvangst van dit geschrift moet bewijzen.5
De vraag of een gestelde termijn in de gegeven omstandigheden redelijk is, is een kwestie van juridische waardering naar aanleiding van de feiten. Op die waardering als zodanig zien stelplicht en bewijslast niet. Indien echter de schuldeiser aanvoert dat de termijn vanwege bepaalde feiten korter mocht zijn dan anders het geval zou zijn geweest (bijvoorbeeld omdat de schuldeiser reeds voorafgaand aan de aanmaning termijnen had gesteld of de schuldenaar had gesommeerd6) en de schuldenaar die feiten betwist, draagt de schuldeiser mede met betrekking tot die feiten de bewijslast (namelijk als deel van het complex van feiten waaruit het intreden van het verzuim volgt).
Uitblijven prestatie (lid 1)
Verzuim ontstaat pas als de prestatie binnen de gestelde termijn is uitgebleven. De schuldeiser kan doorgaans volstaan met de stelling dat de prestatie uitbleef. Mocht de schuldenaar die stelling voldoende onderbouwd betwisten door aan te voeren dat hij binnen die termijn alsnog deugdelijk heeft gepresteerd, dan geldt hetgeen onder art. 6:74 BW ten aanzien van de tekortkoming is opgemerkt.7
Tijdelijke onmogelijkheid of houding waaruit nutteloosheid aanmaning blijkt (lid 2)
Lid 2 formuleert twee situaties waarin de ingebrekestelling kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling van de schuldeiser waaruit blijkt dat deze de schuldenaar aansprakelijk stelt voor het uitblijven van de nakoming. Het is aan de schuldeiser te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat (een van) deze situaties zich voordoen, zodat hij met deze mededeling (zonder aanmaning en termijnstelling) kon volstaan. Ook ten aanzien van deze aansprakelijkstelling is het aan de schuldeiser te stellen (en zo nodig te bewijzen) om welk stuk het gaat, de inhoud ervan, namelijk aansprakelijkstelling voor het uitblijven van de nakoming, alsmede dat dit stuk is verzonden Ʃn door de schuldenaar ontvangen. Bewijsvragen zullen zich uiteraard niet voordoen als de (impliciete) stelling van de schuldeiser is dat de aansprakelijkstelling in de inleidende dagvaarding besloten ligt.8
Voetnoten
1.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 en 6:81 BW.
2.
De opsomming van art. 6:83 BW is immers niet limitatief: Olthof, in: T&C BW, art. 6:83 BW, aant. 1.
3.
Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:81 BW (Past de rechter het verzuimvereiste ook ambtshalve toe?).
4.
Vergelijk HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5466, NJ 2006/46 (Dimopoulos/Van Mierlo).
5.
HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5122, NJ 2004/411 (Visser/IDM) en HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2742, NJ 1998/897 (Van Rhee/Rabobank). In laatstgenoemd geval (aangetekende verzending) is het bewijs van de āontvangstā dus het bewijs van de aanbieding van de zending. Vgl. Ter Heide, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:37 BW.
6.
Vergelijk HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, NJ 2020/197 m.nt. Smeehuijzen (Fraanje/Alukon), rov. 3.3.1.
7.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW.
8.
Vergelijk HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, NJ 2017/239 (Vano/Foreburghstaete II) met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente van art, 6:119 BW. Wat betreft de vraag of de situatie zich voordoet dat aanmaning nutteloos is, volgt uit het arrest bovendien dat dit uit de proceshouding van de schuldenaar mag worden afgeleid (ondanks de omstandigheid dat die houding dateert van na de dagvaarding). De verklaring voor deze voor de schuldeiser zozeer welwillende uitleg van art. 6:82 lid 2 BW is mogelijk als volgt. Naar oud recht (art. 1286 BW oud) deed de dagvaarding de wettelijke rente lopen. Met art. 6:119 BW bedoelde de wetgever de ingangsdatum van de wettelijke rente te vervroegen (namelijk tot het intreden van het verzuim). Het was dus niet de bedoeling die ingangsdatum te verlaten. Vergelijk P-G Hartkamp, conclusie onder 25 voor HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7928, NJ 2007/154.