Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.14.1
7.14.1 Algemeen
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579959:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Bij de bestuursrechtelijke handhaving van mededingingsrecht verjaart de bevoegdheid van de Commissie tot het opleggen van geldboeten en dwangsommen op grond van art. 25 Verordening 1/2003 na drie jaar bij inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties en na vijf jaar bij de overige inbreuken. De bevoegdheid van de Commissie tot tenuitvoerlegging van op grond van de art. 23 Verordening 1/2003 (geldboeten) en art. 24 Verordening 1/2003 (dwangsommen) gegeven beschikkingen verjaart na vijf jaar. Op grond van art. 64 lid 1 Mw vervalt de bevoegdheid voor de NMa tot het opleggen van een bestuurlijke boete (art. 56, eerste lid, onder a Mw) vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. Zie over de achtergronden van de verjaringsregels in het Europees en Nederlands mededingingsrecht nader Quaedvlieg 2001, p. 231-239.
HvJ EG 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04 en C-298/04 (Manfredi), Jur. 2006, p.1-6619, NJ 2007, 34 m.nt. MRM, r.o. 87,95 en 100.
Oosterhuis 2007, p. 38.
Volgens het uitgangspunt van de nationale procedurele autonomie, gelden de nationaalrechtelijke verjaringstermijnen ook bij de handhaving en effectuering van gemeenschapsrecht op nationaal niveau.1 In de zaak Manfredi heeft het HvJ EG geoordeeld dat het bij gebrek aan communautaire regelgeving aan de lidstaten is om verjaringstermijnen vast te stellen voor vorderingen tot schadevergoeding wegens overtredingen van artikel 81 lid 1 EG, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel (doeltreffendheidsbeginsel) daarbij gerespecteerd worden.2 In het kader van de verjaringstermijn naar Italiaans recht overweegt het HvJ EG in Manfredi (r.o. 78-79):
'Een nationale bepaling krachtens welke de verjaringstermijn voor het indienen van een schadevordering begint te lopen op de dag waarop de mededingingsregeling of de onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand is gekomen, zou de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de door die mededingingsregeling of gedraging veroorzaakte schade in de praktijk onmogelijk maken, met name wanneer de in deze nationale bepaling neergelegde termijn tevens kort is en deze termijn niet kan worden geschorst.
In een dergelijke situatie is het in geval van doorlopende of herhaalde inbreuken immers niet uitgesloten dat de verjaringstermijn al verstrijkt voordat de inbreuk is beëindigd, in welk geval het eenieder die schade heeft geleden na het verstrijken van de verjaringstermijn onmogelijk is beroep in te stellen.'
Een korte verjaringstermijn, die begint te lopen op het moment dat de mededingingsbeperkende overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand komt, leidt tot het resultaat dat de kans dat de gelaedeerden schadevergoeding kunnen vorderen steeds kleiner wordt naarmate de schending van het mededingingsrecht langer duurt (en als gevolg van die langere duur ernstiger wordt). Dit is een onbillijk resultaat, mede gelet op het feit dat partijen sneller een kartel zullen aangaan voor de duur van de verjaringstermijn en daarnaast gedurende de verjaringstermijn geen beroep zullen doen op de clementieregeling.3