Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.5.5.2
5.5.5.2 Tweejaarstermijn
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291049:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 11 lid 1, onderdeel a, 1° Wet OB.
MvT, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 3, p. 3.
D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 388-389.
HvJ EU 22 november 2017, zaak C-251/16, BNB 2018/46, m.nt. Van Zadelhoff (Cussens e.a.).
In besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 4.4 is om deze onwenselijke cumulatie te voorkomen goedgekeurd dat als een belastingplichtige een nieuw gebouw van een eindverbruiker geleverd heeft gekregen en dit gebouw binnen de tweejaarstermijn weer doorlevert, over deze doorlevering slechts btw voldaan hoeft te worden over het gedeelte van de vergoeding waarover bij de eerste levering en eventuele latere leveringen geen btw is voldaan. Over dit onbelaste gedeelte van de vergoeding dient de leverancier overdrachtsbelasting te voldoen.
D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 220.
MvA, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 5, p. 21.
D.B. Bijl, Onroerend goed omzetbelasting en overdrachtsbelasting, Deventer: Kluwer 1998, p. 43.
Op grond van het beleid mag de aftrek van de ten onrechte gefactureerde btw ter zake van de levering van een gebouw na de tweejaarstermijn niet bij de koper worden nageheven indien de koper de nodige zorgvuldigheid heeft betracht (besluit Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2014, nr. BLKB 2014-704M, V-N 2015/7.16, paragraaf 3.5.2).
Hof ’s Hertogenbosch 3 oktober 2008, nr. 04/02218, V-N 2009/17.19, r.o. 4.4.
Hof ’s Hertogenbosch 3 oktober 2008, nr. 04/02218, V-N 2009/17.19, r.o. 4.4.
Vgl. D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 224, besluit Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2014, nr. BLKB 2014-704M, V-N 2015/7.16, paragraaf 3.5.2 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 315.
M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 315.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2014, nr. BLKB 2014-704M, V-N 2015/7.16, paragraaf 3.5.2.
Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, heeft Nederland ervoor gekozen om de levering van een gebouw vóór, op of uiterlijk twee jaar na het tijdstip van eerste ingebruikneming als de levering van een nieuw gebouw aan te merken.1 De reden voor de invoering van deze tweejaarstermijn is volgens de parlementaire geschiedenis het voorkomen dat btw-heffing zou kunnen worden ontgaan door een te leveren nieuw gebouw eerst kortstondig zelf te gebruiken. Hierdoor zouden de loonkosten van een bouwbedrijf (en mogelijk ook de winst en de grond) buiten de btw-heffing kunnen blijven.2 Bijl heeft het belang van de tweejaarstermijn terecht gerelativeerd. Een kortstondig gebruik dat niet overeenkomstig de bestemming is van het gebouw wordt in Nederland reeds genegeerd (zie paragraaf 5.5.5.1) en naar mijn mening is hiervoor steun te vinden in het doel van art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn. Daarnaast is het vanwege de verplichting tot herziening van de btw-aftrek bij een levering binnen de herzieningsperiode (zie paragraaf 8.5.4.8) en de verschuldigdheid van in beginsel 8% overdrachtsbelasting over de waarde van de onroerende zaak in het economische verkeer (zie paragraaf 5.10) maar zeer de vraag of een vrijgestelde levering na kortstondig eigen gebruik per saldo voordeliger uitpakt.3 Hieraan kan worden toegevoegd dat het Cussens e.a.-arrest van het Hof van Justitie laat zien dat bij kunstmatige constructies met als doel om de btw-heffing over de levering van een nieuw gebouw te verijdelen, misbruik van recht in beeld komt.4 Op grond van het voorgaande meen ik dan ook dat het door de wetgever beoogde doel – het ontgaan van btw-heffing door een nieuw gebouw kortstondig zelf te gebruiken – ook zonder de tweejaarstermijn bereikt kan worden. De tweejaarstermijn is naar mijn mening ook geen wenselijk middel om dit doel te bereiken. Aan de tweejaarstermijn kleeft namelijk het nadeel dat het risico op cumulatie wordt vergroot. Die cumulatie doet zich voor bij de terugkeer van een gebouw in de distributiesfeer binnen de tweejaarstermijn en is in strijd met de inwendige neutraliteit.5 Bovendien kan die terugkeer in de distributiesfeer ook leiden tot overbelasting, hetgeen in strijd is met het rechtskarakter van de btw (zie paragraaf 5.5.2). Naar mijn mening zou het daarom wenselijk zijn om de tweejaarstermijn in Nederland af te schaffen.
Zolang de tweejaarstermijn geldt, is het in Nederland van groot belang is om vast te stellen of en, zo ja, wanneer een gebouw voor het eerst in gebruik genomen is. Op dat moment gaat immers de tweejaarstermijn lopen.6 Het is van belang om erop te wijzen dat de tweejaarstermijn niet aan de persoon, het subject, maar aan het gebouw, het object, is verbonden.7 Hierdoor is het mogelijk dat het gebouw wordt geleverd door of aan een ander dan degene die het betreffende gebouw voor het eerst in gebruik heeft genomen. Voor de afnemer van een gebouw kan het (daarom) lastig zijn om te verifiëren wanneer dit gebouw voor het eerst in gebruik genomen is. Hij zal in beginsel moeten afgaan op uitlatingen van de leverancier.8 Bij gerede twijfel aan de juistheid van die uitlatingen verdient het voor de afnemer aanbeveling de leverancier te verzoeken om objectieve gegevens waaruit de datum van eerste ingebruikneming af te leiden is.9 Hierbij kan gedacht worden aan adresuittreksels uit de Basisregistratie Personen (BRP), bescheiden van een verhuisbedrijf of een verhuisbericht waaruit de datum van de verhuizing blijkt, bescheiden van een energiebedrijf10, de levering van het meubilair11 en de datum van een vorige transportakte.12 Aangezien het tegenwoordig gebruikelijk is om heuglijke momenten, zoals de eerste ingebruikneming van een gebouw, te delen op social media, kunnen ook dergelijke berichten een aanknopingspunt vormen bij de verificatie van de datum van eerste ingebruikneming. In de literatuur is geopperd om de dag van eerste ingebruikneming door de notaris vast te laten leggen.13 Hoewel dit zeker mogelijk is, lijkt deze optie in de praktijk niet of nauwelijks voor te komen. Dat valt ook te verklaren. Rondom een verhuizing zal de vastlegging van de datum van eerste ingebruikneming door de notaris voor de betrokkene nu eenmaal geen prioriteit hebben. De koper kan bij twijfel over de eerste datum van eerste ingebruikneming overigens ook de inspecteur om inlichtingen over het tijdstip van eerste ingebruikneming vragen.14