Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.5.2
5.5.2 Richtlijn
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291129:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Anders: Hof ’s Hertogenbosch 12 oktober 1988, nr. 3487/1987, FED 1989/268 die oordeelde dat sprake is van een ingebruikneming van het (gehele) gebouw indien het essentiële deel van het gebouw in gebruik genomen is. Voor (terechte) kritiek op dit ingebruiknemingscriterium zie: D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 223-224 en B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 251-252. De Hoge Raad heeft dit ‘ingebruiknemingscriterium’, dat uitgaat van een beoordeling per gebouw (de complexbenadering), in ieder geval niet omarmd, maar gekozen voor het afzonderlijk in aanmerking nemen van een gedeelte van een gebouw (de unitbenadering). Zie ik het goed, dan is Bijl de geestelijke vader van deze benadering (D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 223-224). In de literatuur is meermaals ten onrechte uit arresten van de Hoge Raad afgeleid dat hij van de complexbenadering uitgaat. De eerste keer betrof dit HR 17 januari 1996, nr. 30.707, BNB 1996/113, m.nt. Van Hilten. In deze zaak stond echter vast dat de woon/winkelcomplexen als één onroerend goed moesten worden gezien waardoor de Hoge Raad hiervan is uitgegaan (in gelijke zin: Van Hilten in haar noot bij dit arrest; anders: B.G. van Zadelhoff, ‘Zelfstandig in aanmerking te nemen (gedeelte van een) gebouw’, FBN 2003/9-56 en W.J.C. de Bakker en P.L. Rigtering, ‘De integratieheffing en de aftrek bij gedeeltelijke ingebruikname van een kantoorpand’, BtwBrief 2006/22). De tweede keer betrof dit HR 12 september 2008, nr. 43.011, BNB 2009/188, m.nt. Van Kesteren en HR 7 oktober 2011, nr. 09/02214, BNB 2012/100, m.nt. Van Kesteren. Ook uit deze arresten is niet af te leiden dat de Hoge Raad de complexbenadering aanhangt, aangezien in deze zaak vaststond dat het kantoorgebouw op 1 november 2001 in zijn geheel in gebruik was genomen (in gelijke zin: Van Kesteren, noot bij HR 21 oktober 2011, nr. 10/05228, BNB 2012/101 en besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 3.3; anders: R.D. Hofman en S.K. Rispens, ‘Leegstand en aftrekrecht: geen gebruik is toch gebruikt’, BtwBrief 2011/133, p. 13-14, R.D. Hofman en S.K. Rispens, ‘Btw en leegstand: complex of unit’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2012/1, p. 29-32, Wolf, commentaar bij HR 7 oktober 2011 nr. 09/02214, NTFR 2011/2332, Otto, noot bij HR 21 oktober 2011, nr. 10/05228, FED 2012/9 en L. Ketner en M.M.W.D. Merkx, ‘De complexbenadering voor leegstaande units’, WFR 2012/295). De derde keer betrof HR 21 oktober 2011, nr. 10/05228, BNB 2012/101, m.nt. Van Kesteren. In dit arrest gaat de Hoge Raad echter uit van de in cassatie onbestreden vaststelling dat de kantoortoren één onroerend goed is, zodat hieruit niet kan worden afgeleid of de Hoge Raad die vaststelling onderschrijft (in gelijke zin: Van Kesteren in zijn noot bij dit arrest en besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 3.3; anders: Otto, noot bij HR 21 oktober 2011, nr. 10/05228, FED 2012/9 en Merkx, commentaar bij HR 21 oktober 2011, nr. 10/05228, NTFR 2011/2447).
B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 245-246.
Met de ‘daaropvolgende levering’ wordt niet slechts de eerste levering na ingebruikneming bedoeld, maar ook de latere leveringen (B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 247).
Het uitgangspunt van art. 12 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn is dat sprake is van de van rechtswege belaste levering van een nieuw gebouw indien het gebouw wordt geleverd vóór de eerste ingebruikneming. Zoals uit paragraaf 5.4.3 volgt, dient een gedeelte van een gebouw afzonderlijk in aanmerking te worden genomen. Dit betekent dat bij de (op)levering van een gebouw dat uit verschillende gedeelten bestaat, per gedeelte beoordeeld moet worden of en, zo ja, wanneer het voor het eerst in gebruik genomen is.1 Op grond van art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn mogen lidstaten andere criteria dan de eerste ingebruikneming hanteren, zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het gebouw en die van eerste levering, of het tijdvak tussen de datum van eerste ingebruikneming en die van de daaropvolgende levering, mits deze tijdvakken niet langer duren dan onderscheidenlijk vijf en twee jaar. Het woord ‘zoals’ suggereert dat van een limitatieve opsomming geen sprake is, maar gelet op de dwingende invulling van de twee andere genoemde criteria in art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn neemt Van Zadelhoff naar mijn mening terecht aan dat wel degelijk sprake is van een limitatieve opsomming.2. Daarvan uitgaande hebben de lidstaten die de levering van een nieuw gebouw aan btw-heffing (moeten) onderwerpen de mogelijkheid om ook als de levering van een nieuw gebouw aan te merken:
de eerste levering van een gebouw binnen maximaal vijf jaar na de voltooiing van het gebouw; en
de daaropvolgende3 levering binnen maximaal twee jaar na de eerste ingebruikneming.
Uit de richtlijnhistorie volgt dat deze keuzemogelijkheid voortvloeit uit de wens van de lidstaten om het bestaande onderscheid tussen nieuwe en oude gebouwen in de btw-wetgeving van de lidstaten zoveel als mogelijk te kunnen handhaven (zie paragraaf 5.2.3.3). Wenselijk is deze keuzemogelijkheid naar mijn mening niet, omdat het onderscheid tussen nieuwe en oude gebouwen hierdoor van lidstaat tot lidstaat kan verschillen, hetgeen in strijd is met de interneutraliteit. Bovendien acht ik het gelet op het rechtskarakter van de btw onwenselijk om aan te knopen bij een termijn van maximaal vijf jaar na de voltooiing van een gebouw, omdat hierdoor een ongebruikt gebouw enkel door het verstrijken van deze termijn onbelast geleverd kan worden aan een eindverbruiker. Hierdoor kan de btw-druk op dit gebouw beperkt blijven tot de niet-aftrekbare btw op de kosten van dit gebouw. Indien de leverancier het gebouw zelf gebouwd heeft, dan kan dit betekenen dat het eindverbruik van de door hem toegevoegde waarde onbelast blijft. De termijn van maximaal vijf jaar na voltooiing of maximaal twee jaar na eerste ingebruikneming van het gebouw kan ook leiden tot cumulatie van btw en overbelasting. Van cumulatie van btw is sprake indien een gebouw binnen deze termijn terugkeert in de distributieketen en binnen deze termijn opnieuw belast wordt geleverd door de belastingplichtige. Deze cumulatie van btw is in strijd met de inwendige fiscale neutraliteit. Bovendien kan die terugkeer in de distributiesfeer ook leiden tot overbelasting, hetgeen in strijd is met het rechtskarakter van de btw. Hierbij kan gedacht worden aan een nieuwe woning die belast wordt geleverd aan een particulier, vervolgens wordt geleverd aan een belastingplichtige die de woning binnen de termijn van maximaal vijf jaar na voltooiing of maximaal twee jaar na eerste ingebruikneming van het gebouw belast levert aan een particulier. In dat geval drukt er op het eindverbruik van de woning tweemaal btw.