Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.5.4.5
9.5.4.5 Ambtshalve toetsing
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS378663:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in dit verband HR 17 december 1982 ( Vander Kroft/Lont), NJ 1984, 59 (WHH), waarin de Hoge Raad overwoog dat in geval een partij heeft verzuimd haar zaak tijdig ter rolle te doen inschrijven, het beroep van de wederpartij op het ontbreken van haar toestemming tot inschrijving van de zaak op een later tijdstip onder omstandigheden en in het licht van de eisen van een goede rechtspleging, misbruik van de bevoegdheid tot het doen van een zodanig beroep kan inhouden.
Vgl. HR 29 november 2002 (Dispasa/Huyton), NJ 2004, 172 (HJS) en HR 24 december 1993, NJ 1994, 194.
De parlementaire geschiedenis is op dit punt niet eenduidig. Vóór spreekt PG Iny. Boek 3 NBW, p. 1049-1050 (MvT Inv.), tegen spreekt PG Boek 3 NBW, p. 916 (MvA II bij art. 3:303 BW).
558. In de literatuur wordt wel gesteld dat een partij zich op het misbruik van bevoegdheid door de wederpartij moet beroepen, wil de rechter op die grond rechtsgevolg onthouden aan de uitgeoefende bevoegdheid. Daarentegen zou de rechter de uitoefening van de bevoegdheid wel ambtshalve mogen toetsen aan de eisen van een goede procesorde. In gevallen waarin het onwenselijk is dat de rechter de vrijheid wordt gelaten om ambtshalve rechtsgevolg aan de uitoefening van een bevoegdheid te onthouden, zou het criterium misbruik van bevoegdheid dan ook de voorkeur verdienen boven de hantering van het criterium van een goede procesorde.1
Deze zienswijze moge juist zijn voor zover de grond voor het oordeel dat misbruik van bevoegdheid is gemaakt, is gelegen in de enkele bedoeling van de bevoegde partij om haar wederpartij te benadelen of in de onevenredigheid tussen de belangen die zijn gebaat bij de uitoefening van de bevoegdheid en de belangen van de wederpartij die daardoor worden geschaad. Van partijen kan immers worden verlangd dat zij zelf opkomen tegen een onredelijke benadeling door de wederpartij, terwijl van de rechter anderzijds in beginsel niet kan worden verlangd dat hij bij elke bevoegdheidsuitoefening ambtshalve nagaat, en zonodig informeert, of de wederpartij daardoor niet onredelijk in haar belangen wordt getroffen. Desalniettemin moet het voor mogelijk worden gehouden dat de grond voor het oordeel dat een partij misbruik van haar bevoegdheid maakt, (vooral) is gelegen in een veronachtzaming van de publieke belangen die bij de rechtspleging zijn gemoeid. De rechter dient daar ambtshalve tegen te waken.2 Men denke aan het belang van waarheidsvinding, het belang van een doelmatige en voortvarende procesgang en het belang van hoor en wederhoor.3
Art. 3:13 BW, noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, sluit uit dat publieke belangen als deze worden meegewogen.4 Ook indien gezegd kan worden dat een partij naar redelijkheid niet tot een bevoegdheidsuitoefening had kunnen komen, gelet op de onevenredigheid tussen haar belang daarbij en de publieke belangen die daardoor worden geschaad, moet de rechter kunnen oordelen dat de betreffende bevoegdheid wordt misbruikt. Datzelfde geldt indien publieke belangen betrokken bij de rechtspleging worden geschaad doordat een bevoegdheid wordt uitgeoefend voor een ander doel, dan waarvoor zij is gegeven - bijvoorbeeld indien blijkt dat zij wordt gebruikt met de enkele bedoeling om de procedure te vertragen, te ontregelen of om de waarheidsvinding te frustreren. In dergelijke gevallen zal de rechter naar mijn mening ambtshalve rechtsgevolg aan de uitoefening van de bevoegdheid mogen onthouden.