De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.4:16.4 Conclusie
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.4
16.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366547:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk werd de formulering van het aanvangsmoment van de subjectieve termijn in de art. 3:307-3:311 BW bezien.
Voor alle bepalingen geldt dat het aanbeveling verdient het Duitse model te volgen in die zin dat het aanvangsmoment van de subjectieve termijn niet op de dag, maar tegen het eind van het kalenderjaar wordt bepaald. Denkbaar is bovendien dat de wetgever het begrip "kennis" in de bepalingen 3:309-3:311 enigszins nader definieert.
Wat betreft de centrale begrippen 'opeisbaarheid' (art. 3:307 en 3:308 BW) en `bekendheid' (art. 3:307 — 3:311 BW) heeft de wetgever een gelukkige hand gehad; zij vormen de beste wettelijke vertaling van de rechtsverwerkingsgedachte gelet op (i) de precisie waarmee zij die gedachte representeren en (ii) de mate waarin zij een duidelijke en concrete maatstaf bieden.
Art. 3:310 BW is niet goed geformuleerd, in die zin dat het onvoldoende tot uitdrukking brengt dat naast bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon voor aanvang van de termijn tevens bekendheid vereist is met de andere feiten waarop de vordering is gebaseerd. Misverstand bleek met name mogelijk ten aanzien van de vraag of ook bekendheid met de fout vereist is. Een herzien art. 3:310 BW zou moeten bepalen dat bekendheid met alle feiten waarop de vordering berust is vereist, eventueel gevolgd door de toevoeging dat daaronder in ieder geval worden verstaan bekendheid met (i) de fout of de tekortkoming, (ii) de schade (iii) het conditio sine qua non-verband (iv) de toerekenbaarheid van de fout of de tekortkoming.