De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/4.5.2:4.5.2 De bevoegdheden en plichten van de vereffenaar(s)
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/4.5.2
4.5.2 De bevoegdheden en plichten van de vereffenaar(s)
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS385065:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 februari 1988, NJ 1988, 490.
Slagter/Assink 2013 (Deel 1), nr. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 2:23a BW heeft betrekking op de bevoegdheden en plichten van de vereffenaars en is grotendeels van toepassing op zowel de niet-gerechtelijke als de gerechtelijke vereffenaars. Uitzondering daarop vormt het derde lid dat enkel van toepassing is op gerechtelijke vereffenaars. Hierin is bepaald dat ‘zowel de rechtbank als een door haar in de vereffening benoemde rechter-commissaris voor de vereffening nodige bevelen kan geven, al dan niet in de vorm van een bevelschrift in executoriale vorm. De vereffenaar is verplicht hun aanwijzingen op te volgen. Tegen de bevelen en aanwijzingenstaan geen rechtsmiddelen open’.
Alle vereffenaars hebben, tenzij de statuten anders bepalen, dezelfde bevoegdheden, plichten en risico’s tot aansprakelijkheid als een bestuurder, voor zover deze verenigbaar zijn met hun taak als vereffenaars, aldus artikel 2:23a lid 1 BW. Daarbij geldt dat de bevoegdheden en plichten van de gerechtelijke vereffenaars niet statutair kunnen worden beperkt. De rechtshandelingen van de vereffenaars dienen op vereffening te zijn gericht, hetgeen ruim door de Hoge Raad wordt uitgelegd: zelfs indien het liquidatiesaldo van de ontbonden BV niet wordt vermeerderd als gevolg van een verrichte rechtshandeling, kan de betreffende rechtshandeling gericht zijn op vereffening. 1 Indien rechtshandelingen worden verricht die niet gericht zijn op vereffening, is artikel 2:7 BW van toepassing: er vindt dan overschrijding van het door het op vereffening gerichte doel van de na ontbinding voortbestaande BV plaats. Ook betekent dit dat elke vereffenaar een plicht heeft jegens de BV tot een behoorlijke vervulling van de op hem als vereffenaar rustende taak. Bij ernstige tekortkoming bij de vervulling van hun taak kunnen de vereffenaars hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 2:9 BW. In zeer uitzonderlijke gevallen kunnen de vereffenaars ook hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 2:248 BW, indien artikel 2:23a lid 4 BW van toepassing is.2
Bovendien zullen de vereffenaars zorgvuldig te werk dienen te gaan ten aanzien van de schuldeisers. Een tekortschieten van de vereffenaars in de behoorlijke behartiging van de belangen van de schuldeisers van de BV kan jegens hen als onrechtmatig worden betiteld.3
Voor het geval er twee of meer vereffenaars zijn, bepaalt het tweede lid van artikel 2:23a BW dat ieder van hen alle werkzaamheden kan verrichten, tenzij anders is bepaald. Wanneer tussen de vereffenaars een verschil van mening ontstaat, beslist op verzoek van één van de vereffenaars de rechter die bij de vereffening is betrokken en anders de kantonrechter.
Het vierde lid van artikel 2:23a BW verplicht de vereffenaars tot faillissementsaangifte, tenzij alle bekende schuldeisers instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement:
‘Blijkt de vereffenaar dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen, dan doet hij aangifte tot faillietverklaring, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement.’
Voor het geval waarin de bekende schuldeisers instemmen met voorzetting van de vereffening buiten faillissement voorziet de wet niet in een afhandeling van de vereffening, waarbij sprake is van een boedeltekort.4